ECLI:NL:RBDHA:2021:16461
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens COVID-19 en onvoldoende relatieaantoning
Eiseres, van Filipijnse nationaliteit, vroeg op 25 november 2019 een visum kort verblijf aan om haar verloofde te bezoeken. De Minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag af op grond van onvoldoende bewijs van de relatie en later vanwege de COVID-19-pandemie die niet-essentiële reizen naar de EU tijdelijk beperkte.
Eiseres stelde dat het bestreden besluit niet het resultaat was van een heroverweging en dat het evenredigheidsbeginsel, het fair play beginsel en het gelijkheidsbeginsel werden geschonden. De rechtbank oordeelde dat de Minister een volledige heroverweging heeft uitgevoerd, waarbij de pandemie als nieuwe relevante omstandigheid werd meegenomen.
Verder werd geoordeeld dat het besluit niet onrechtmatig was omdat het op dat moment niet mogelijk was om te reizen en dat het vermoeden van bewust uitstel van besluitvorming niet was onderbouwd. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde vanwege de specifieke omstandigheden van andere zaken.
Ten slotte werd vastgesteld dat eiseres niet behoorde tot uitzonderingscategorieën die wel toegang tot het grondgebied krijgen en dat het horen niet noodzakelijk was. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van de relatie en COVID-19 reisbeperkingen.