ECLI:NL:RBDHA:2021:16476
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning tijdelijk humanitair wegens onvoldoende zorg- en opvoedtaken
Eiser, van Surinaamse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op tijdelijke humanitaire gronden om bij zijn twee minderjarige dochters met de Nederlandse nationaliteit te kunnen verblijven. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling hiervan. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken voor zijn dochters verrichtte, mede omdat hij slechts beperkte omgang met zijn oudste dochter had en geen rol in de opvoeding kon aantonen.
Verweerder mocht ook meewegen dat de dochters onder toezicht stonden en uit huis geplaatst waren, en dat eiser geen verblijfsrecht had toen het gezinsleven startte. Daarnaast woog mee dat eiser sterke banden met Suriname heeft en zich daar kan hervestigen. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro inzake gezinsleven en privéleven werd verworpen omdat het algemeen belang van de Nederlandse overheid zwaarder woog dan het persoonlijk belang van eiser.
De rechtbank wees ook het verzoek om voorlopige voorziening af en verleende vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning tijdelijk humanitair wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.