Overwegingen
1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.
2. Eiser heeft in Nederland bij zijn asielaanvraag opgegeven dat hij op [2005] is geboren en dat hij dus minderjarig is. De AVIM heeft tijdens het gehoor van 30 januari 2021 unaniem geoordeeld dat eiser evident minderjarig is. Tijdens het gehoor van 1 februari 2021 heeft de gehoorambtenaar van verweerder geoordeeld dat er twijfel bestaat over de door eiser opgegeven leeftijd. Verweerder heeft daarom navraag gedaan bij de Italiaanse autoriteiten naar de leeftijdsregistratie van eiser daar. Hieruit is gebleken dat eiser in Italië als meerderjarige staat geregistreerd. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)1 volgt dat in dat geval kan worden uitgegaan van meerderjarigheid, tenzij authentieke identificerende documenten zijn overgelegd waaruit minderjarigheid blijkt. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn gestelde minderjarigheid voordat het voornemen was uitgebracht een tazkera overgelegd. Deze tazkera is door de Koninklijke Marechaussee vals bevonden. Verweerder stelt zich gelet hierop in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser zijn minderjarigheid niet heeft aangetoond.
Is het bestreden besluit op zorgvuldige wijze tot stand gekomen?
3. Eiser voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte het voornemen heeft uitgebracht voordat het onderzoek naar de echtheid van de door hem overgelegde tazkera was afgerond. Pas bij het bestreden besluit is opgenomen dat het document niet overeen kwam met intern bekende informatie. Eiser heeft hierop voor het bestreden besluit niet kunnen reageren. Zijn belangen zijn daardoor ernstig geschaad. Verweerder heeft ten onrechte zich op het standpunt gesteld dat het voor rekening en risico van eiser komt dat de tazkera niet eerder door verweerder was onderzocht. Eiser beroept zich op artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) en paragraaf C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) en stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit hiermee in strijd is.
4. De rechtbank volgt eiser dat verweerder was gehouden de uitkomst van het documentenonderzoek af te wachten alvorens het voornemen uit te brengen, omdat het onderzoek de minderjarigheid van eiser betrof en de uitkomst daarvan van aanmerkelijk belang is voor de te nemen beslissing. Gelet op artikel 3.119 van het Vb had verweerder eiser in de gelegenheid moeten stellen zijn zienswijze kenbaar te maken ten aanzien van de uitkomst van het documentenonderzoek. In dit verband is verder van belang dat ten tijde van het voornemen de verantwoordelijkheid van Italië nog niet vast stond, aangezien de Italiaanse autoriteiten op grond van artikel 22, eerste lid, van de Dublinverordening twee maanden hadden om te reageren op het verzoek om overname en deze termijn bij het uitbrengen van het voornemen nog niet was verstreken. Los daarvan dateert het proces- verbaal van bevinding van het documentenonderzoek door de Koninklijke Marechaussee van 30 maart 2021, terwijl het voornemen van 20 april 2021 is. Verweerder had bij het uitbrengen van het voornemen de uitkomst van het documentenonderzoek mee kunnen
nemen en heeft dit ten onrechte niet gedaan. Doordat eiser niet in de gelegenheid is gesteld om op de uitkomst van het documentenonderzoek te reageren voordat het bestreden besluit is uitgebracht, is hij in zijn belangen geschaad. Het bestreden besluit is niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. Deze beroepsgrond slaagt en het beroep is gegrond. De rechtbank zal beoordelen of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten.
5. Eiser heeft in beroep ter onderbouwing van zijn minderjarigheid een verklaring omtrent identiteit van de Afghaanse ambassade in Den Haag van 26 mei 2021 overgelegd. Eiser heeft verder verzocht om de gelegenheid te krijgen om de tazkera te laten onderzoeken door de Afghaanse ambassade.
6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wordt getwijfeld aan de echtheid van de door de Afghaanse ambassade verstrekte verklaring van identiteit, maar dat niet duidelijk is op welke informatie en/of gegevens de ambassade zich heeft gebaseerd voor het afgeven van deze verklaring en dat er daarom niet de door eiser daaraan gewenste waarde kan worden gehecht.
7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en eiser in de gelegenheid gesteld om de verklaring van identiteit en een gewaarmerkte kopie van de tazkera aan de Afghaanse ambassade in Den Haag te versturen om nadere informatie op te vragen. De rechtbank heeft daarbij een aantal vragen opgesteld.2
8. Op 1 juli 2021 heeft de Afghaanse ambassade per brief gereageerd op het verzoek van eiser. Uit deze brief volgt dat de Afghaanse ambassade de verklaring van identiteit heeft afgegeven na een gedetailleerd interview met eiser en nadat de authenticiteit van de tazkera op basis van interne richtlijnen was vastgesteld.
9. Verweerder heeft de brief van de Afghaanse ambassade van 1 juli 2021 voorgelegd aan Bureau Documenten. Ook is de tazkera van eiser door Bureau Documenten op echtheid onderzocht. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in een zogenoemd weerwoord (op verklaring ambassade) van 7 juli 2021. Bureau Documenten komt tot de conclusie dat de tazkera hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. In reactie op de brief van de Afghaanse ambassade deelt Bureau Documenten mee regelmatig te worden geconfronteerd met onjuiste beoordelingen van documenten door de Afghaanse ambassade. De tazkera’s worden door de ambassade niet of nauwelijks technisch beoordeeld. De Afghaanse ambassade heeft niet gezien en onderkend dat de basisgegevens en het documentnummer van de tazkera zijn aangebracht met een reproductietechniek. Ook wordt opgemerkt dat niet blijkt wat de interne richtlijnen zijn die door de Afghaanse ambassade zijn gehanteerd en of er een onderzoek is gedaan naar de echtheid, opmaak en afgifte van het document. Zo blijkt niet op basis waarvan de persoonsgegevens van eiser zijn vastgesteld.
10. Bureau Documenten heeft geoordeeld dat de tazkera hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Verweerder is uitgegaan van dit deskundigenadvies.
2 Uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juni 2021, NL21.7630.
Nu de Afghaanse ambassade heeft verklaard dat de identiteitsverklaring van 26 mei 2021 is afgegeven op basis van deze tazkera en verklaringen van eiser zelf, kan daaraan volgens verweerder niet de waarde worden toegekend die eiser daaraan toegekend wenst te zien.
Verweerder verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 10 oktober 20193 en van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 28 september 20204.
Naar aanleiding van het voorgaande stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet heeft aangetoond dat hij minderjarig is. Op basis van de registratie in Italië kan bij eiser worden uitgegaan van meerderjarigheid.
11. Eiser heeft aangevoerd dat de AVIM in de voorfase heeft geconstateerd dat eiser evident minderjarig is. Eiser heeft opgemerkt dat de gehoormedewerker van verweerder niet heeft gemotiveerd waarom er wordt getwijfeld aan de leeftijd van eiser en dat de registratie in Italië hierbij niet doorslaggevend kan zijn. Verweerder had daarom een leeftijdsonderzoek moeten doen. Eiser heeft daarnaast gemotiveerd gereageerd op het weerwoord van Bureau Documenten van 7 juli 2021 en betwist de conclusie daarvan. De conclusie van verweerder dat er vraagtekens worden geplaatst bij de deskundigheid van de Afghaanse ambassade bij de beoordeling van de tazkera is niet onderbouwd met cijfers of andere gegevens. De Afghaanse ambassade kan de tazkera controleren aan de hand van het documentnummer. Als dit nummer niet echt is, maar nagebootst zoals verweerder stelt, dan zou bij de verificatie door de Afghaanse ambassade een andere identiteit naar voren zijn gekomen. Dit is niet gebeurd. Bovendien heeft de Afghaanse ambassade toegelicht dat op grond van interne richtlijnen en een interview de verklaring is afgegeven. Het in twijfel trekken van deze verklaring van de Afghaanse ambassade omtrent de identiteit van haar onderdanen is een misvatting van verweerder. Eiser wijst verder op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De autoriteiten van het land van herkomst zijn bij uitstek de instanties om de identiteit van een onderdaan vast te stellen. Eiser komt in absolute bewijsnood als de vaststelling van de autoriteiten van het land van herkomst over zijn identiteit ongeloofwaardig wordt geacht. Eiser heeft een stuk uit het ambtsbericht van Afghanistan van maart 2019 overgelegd waaruit blijkt dat er ten aanzien van de afgifte van tazkera’s lokale varianten zijn en er verschillende printmethodes worden gebruikt. Eiser verzoekt daarom met het oog op equality of arms, om de onderliggende stukken te verstrekken over de gebruikelijke printprocedures in [stad 1] in de stad [stad 2]. In dit verband verwijst eiser naar een uitspraak van de ABRvS van 29 februari 20205 en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 17 december 2020.6
12. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS7 is een advies van Bureau Documenten een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. Verweerder moet zich, indien hij een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, er op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van vergewissen dat dit - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Als dit het geval is, kan de desbetreffende vreemdeling de uitkomst van het advies slechts met succes bestrijden door een andersluidende contra-expertise van een deskundige in te brengen.
Verweerder mag er in beginsel van uitgaan dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dat laat onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van verweerder als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. In die situaties kan hij niet volstaan met een verwijzing naar de conclusies van de verklaring van onderzoek. Evenmin kan hij volstaan met het ter controle aanbieden van de onderliggende stukken aan de rechtbank. De vergewisplicht rust immers op verweerder en niet op de rechtbank.8
13. De rechtbank is van oordeel dat de redenering in het weerwoord op de verklaring van de ambassade van Bureau Documenten van 7 juli 2021 begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten. De verklaring roept geen vragen op en de bevindingen leiden logischerwijs tot de daaraan verbonden conclusies. In de verklaring wordt duidelijk en uitgebreid uitgelegd waarom de gebruikte methode ‘inkjet’ een reproductietechniek is, waarbij verschillende voorbeelden zijn opgenomen. Ook wordt uitgelegd mede aan de hand van foto’s op grond waarvan is geconcludeerd dat het documentnummer is nagebootst. Daarnaast is uitgelegd waarom dit leidt tot de conclusie dat de tazkera van eiser hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. In de verklaring is verder uitgelegd hoe is vastgesteld welke technieken worden gebruikt voor het vervaardigen van de opdruk en documentnummers van tazkera's van dit betreffende model. De rechtbank leidt uit het weerwoord af dat door Bureau Documenten is onderkend dat er meerdere modellen en technieken van opdruk in Afghanistan in omloop zijn en dat het model van de tazkera die door eiser is overgelegd, is vergeleken met het daarmee overeenkomende model dat in Afghanistan in gebruik is. Dit stemt overeen met datgene wat in het ambtsbericht over tazkera’s staat vermeld.
14. Bureau Documenten heeft verder gemotiveerd toegelicht waarom de conclusie van de Afghaanse ambassade ten aanzien van de echtheid van de tazkera niet wordt gevolgd. Bureau Documenten kan in deze motivering worden gevolgd. Daarvoor is het niet nodig dat Bureau Documenten met cijfers komt of een nadere onderbouwing. Immers er zijn geen aanwijzingen dat de bevindingen van Bureau Documenten niet kloppen. Het weerwoord van Bureau Documenten van 7 juli 2021 is gelet op het voorgaande naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent en verweerder kon daarom van dit deskundigenadvies uitgaan. De vragen en kritische kanttekeningen die door eiser naar voren zijn gebracht, zijn onvoldoende om aan de juistheid van het deskundigenonderzoek van Bureau Documenten te twijfelen. Verweerder heeft aan de op hem rustende vergewisplicht voldaan en heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de door eiser overgelegde tazkera hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en/of afgegeven. Verweerder was gelet hierop niet verplicht om intern bekende informatie ten behoeve van documentenonderzoek bekend te maken. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht dat deze informatie niet openbaar wordt gemaakt omdat het van dien aard is dat dit (toekomstige) onderzoeksprocessen schade kan brengen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder om deze reden de informatie niet met eiser hoeft te delen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
15. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiser zijn minderjarigheid niet aan de hand van documenten aannemelijk heeft gemaakt. De door eiser overgelegde
verklaring van identiteit van de Afghaanse ambassade is gebaseerd op een tazkera waarvan door Bureau Documenten is vastgesteld dat die hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en/of afgegeven. De informatie van de Afghaanse ambassade van 1 juli 2021 over de afgifte van de verklaring en de controle van de identiteit van eiser, biedt onvoldoende aanknopingspunten om aan de bevindingen van de Koninklijke Marechaussee en Bureau Documenten te twijfelen. De informatie is daarvoor te weinig specifiek.
Onvoldoende concreet is hoe de controle van de identiteit heeft plaatsgevonden. Wat de ambassade nu precies heeft gecontroleerd, blijft onduidelijk. Een door de Afghaanse autoriteiten afgegeven verklaring over de identiteit vormt bovendien niet in alle gevallen en onder alle omstandigheden voldoende bewijs om de minderjarigheid aannemelijk te maken, en het is gelet hierop dan ook geen misvatting om deze verklaring ten bewijze van minderjarigheid in dit geval niet voldoende te achten.
16. Met het vorenstaande staat vast dat er geen documenten zijn op grond waarvan de minderjarigheid van eiser kan worden vastgesteld. Eiser stelt wel minderjarig te zijn, maar kan dit dus niet aantonen met documenten. De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of verweerder op basis van de beschikbare gegevens deze bewijslast bij eiser heeft mogen neerleggen. Deze bewijslast ontstaat indien in de aanmeldfase bij één van de medewerkers van de AVIM of de IND twijfel bestaat over zijn leeftijd en na onderzoek blijkt dat eiser zich in een andere lidstaat heeft laten registreren als meerderjarige.
17. Het vaststellen van de minderjarigheid in de aanmeldfase vindt plaats door het schouwen van de vreemdeling. Deze leeftijdsschouw dient niet alleen op basis van uiterlijk plaats te vinden, maar ook gedrag en verklaringen dienen bij deze schouw betrokken te worden.9 Twee medewerkers van de AVIM waren unaniem van oordeel dat eiser minderjarig was. Bij de IND bestond hierover twijfel. Uit het verslag van het aanmeldgehoor blijkt dat deze twijfel onder andere gelegen is in de verklaring van eiser dat hij in Italië heeft opgegeven negentien te zijn, nadat de gehoormedewerker hem daarover heeft bevraagd. Eiser heeft over de opgave van zijn leeftijd in Italië in het gehoor openheid van zaken gegeven en uitgelegd dat hij in Italië de leeftijd van negentien jaar heeft opgegeven omdat hij niet wilde dat ze hem daar zouden vasthouden. Als eiser had gezegd dat hij minderjarig was, had hij in Italië moeten blijven.10 Eiser heeft dit advies gekregen van zijn reisagent.11 De rechtbank stelt allereerst vraagtekens bij de relevantie en zorgvuldigheid van het vragen naar de opgave van een geboortedatum in een andere lidstaat in het kader van de leeftijdsschouw, aangezien de registratie in het andere land pas relevant wordt nadat is geoordeeld dat twijfel bestaat over de in Nederland opgegeven leeftijd. Het antwoord op deze vraag mag in ieder geval op zichzelf gezien geen reden vormen om twijfel aan te nemen. De IND heeft daarnaast geen acht geslagen op de door eiser hierover gegeven uitleg. Ook heeft de IND in de omstandigheid dat hij zijn geboortejaar niet wist te noemen aanleiding gezien om te twijfelen aan zijn minderjarigheid. Aan de verklaring van eiser hoe hij wist dat hij minderjarig is, heeft de IND geen aandacht besteed.12 Deze verklaring is specifiek en niet blijkt waarom deze verklaring niet is meegenomen in de beoordeling van
zijn minderjarigheid. Hetzelfde geldt ten aanzien van de verklaringen omtrent schoolgang en zijn zussen en broers die ook kunnen duiden op minderjarigheid. Omdat de vaststelling van de minderjarigheid grote consequenties heeft voor de afdoening van de aanvraag van eiser
10 AMV gehoor, van 1 februari 2021, pagina 9.
11 Gehoor Dublin, van 26 maart 2021, pagina 4.
12 AMV gehoor van 1 februari 2021, van pagina 7, zesde alinea
dient de IND bij de vaststelling of hierover twijfel bestaat de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen en deugdelijk te motiveren waarom de verklaringen aanleiding geven tot twijfel. Daarbij dienen de verklaringen in het geheel te worden betrokken. Dat is in dit geval niet gebeurd. Aan de uiterlijke kenmerken kan verder ook geen doorslaggevende betekenis worden toegekend nu deze er bij de AVIM niet aan in de weg hebben gestaan hem als evident minderjarig aan te merken. Aan de vaststelling dat nader onderzoek naar leeftijd nodig was, ligt dus een onvoldoende gemotiveerd oordeel ten grondslag. Dat eiser openheid heeft gegeven over zijn leeftijdsregistratie in Italië en zijn geboortejaar niet uit zijn hoofd wist, kan net zo goed duiden op een oprecht en niet voorbereid verhaal.
18. Zonder een nadere motivering van de door verweerder overgenomen twijfel over de leeftijd van eiser, kan aan de opgegeven leeftijd in Italië niet de betekenis worden toegekend die verweerder daaraan toegekend wenst te zien. Niet is gebleken dat de leeftijdsregistratie in Italië heeft plaatsgevonden aan de hand van documenten zodat hieraan enkel de opgave van eiser ten grondslag ligt en dat is niet voldoende.13 De rechtbank acht in dit verband nog
van belang op te merken dat bij eiser sprake was van illegale inreis. Eiser heeft in Italië geen asielaanvraag ingediend. Dit ondersteunt de verklaring van eiser dat hij niet in Italië heeft willen blijven, maar heeft willen doorreizen naar een ander land. Eiser stelt dat zijn minderjarigheid hieraan de weg stond en dat hij daarom een andere leeftijd heeft opgegeven. Verweerder is niet ingegaan op deze door eiser gegeven uitleg. De rechtbank is ambtshalve ermee bekend dat deze uitleg vaker wordt gegeven door vreemdelingen. Bovendien is eiser in het Eurodac onder twee geboortedata geregistreerd hetgeen niet getuigt van een serieuze opgave en/of registratie van een geboortedatum. Dit zijn ook omstandigheden waarmee rekening gehouden moet worden.
19. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Het gaat hier om een zorgvuldigheidsgebrek die niet meer kan worden hersteld. De leeftijdsschouw dient door een IND medewerker voorafgaand aan het onderzoek naar de leeftijdsregistratie van eiser in Italië plaats te vinden. Nu dit onderzoek al heeft plaatsgevonden, kan een leeftijdsschouw niet meer worden uitgevoerd. Dit betekent dat verweerder eiser een leeftijdsonderzoek moet aanbieden dan wel eiser moet opnemen in de nationale procedure. Verweerder zal (na een leeftijdsonderzoek) een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het op zitting gedane verzoek van eiser om hem de mogelijkheid te geven naar school te gaan, is geen verzoek waar de rechtbank uitspraak over kan doen.
20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de aanvullende zitting van 1 september 2021, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Bij de uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juni 2021 is al een punt toegekend voor het verschijnen op de zitting van 1 juni 2021. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
13 Werkinstructie 2018/19, paragraaf 2.4