ECLI:NL:RBDHA:2021:16545
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering faciliterend visum op grond van arrest Chavez-Vilchez
Eiser, een Surinaamse nationaliteit dragende vader van twee minderjarige Nederlandse kinderen, verzocht om een faciliterend visum om in Nederland te verblijven bij zijn partner en kinderen. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de verzorgende ouder is en dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat de kinderen gedwongen zouden zijn Nederland te verlaten als aan hem geen verblijfsrecht wordt verleend.
Eiser stelde dat verweerder een onjuist toetsingskader hanteerde door bij de visumaanvraag direct het verblijfsrecht te toetsen, terwijl dit volgens hem pas na inreis aan de orde zou moeten zijn. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro en het arrest Chavez-Vilchez heeft betrokken bij de beoordeling van de aanvraag.
De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd dat hij meer dan marginaal betrokken is bij de dagelijkse verzorging en opvoeding van zijn kinderen en dat er geen zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat de kinderen gedwongen zouden zijn Nederland te verlaten. Daarnaast was er geen onzorgvuldigheid van verweerder vastgesteld en mocht verweerder in de bezwaarprocedure afzien van een hoorzitting.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het faciliterend visum is ongegrond verklaard.