ECLI:NL:RBDHA:2021:16606

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 oktober 2021
Publicatiedatum
15 juli 2022
Zaaknummer
NL21.8377
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering uitstel vertrek wegens medische zorg en schending hoorplicht

Eiser vroeg uitstel van vertrek om medische redenen, maar de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees dit af op grond van het oordeel dat noodzakelijke medische zorg in Armenië beschikbaar is en eiser zijn identiteit niet voldoende had aangetoond.

Eiser stelde dat hij niet gehoord was over zijn bezwaren en dat hij wel degelijk zijn identiteit en nationaliteit had onderbouwd met originele documenten. De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht was geschonden omdat verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat de bezwaren van eiser geen kans van slagen hadden. Tevens was het onterecht dat eiser niet de gelegenheid was geboden om aan te tonen dat medische zorg in Armenië voor hem ontoegankelijk is.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder een nieuw besluit moet nemen waarbij eiser in de gelegenheid wordt gesteld zijn stellingen te onderbouwen en gehoord te worden. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege schending van de hoorplicht en onvoldoende mogelijkheid voor eiser om medische ontoegankelijkheid aan te tonen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.8377
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.J. Paffen), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R. Jonkman).

Procesverloop

In het besluit van 20 oktober 2020 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om uitstel van vertrek om medische redenen1 afgewezen.
In het besluit van 12 mei 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 14 september 2021 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is de zoon van eiser verschenen,
[A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft geweigerd om eiser uitstel van vertrek te verlenen. Daaraan legt verweerder ten grondslag dat het voor eiser mogelijk is om (onder voorwaarden) te reizen en dat de voor eiser noodzakelijke medische zorg in Armenië, het land waarnaar eiser moet vertrekken, aanwezig is. Verweerder baseert zich hiervoor op de adviezen van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 23 september 2020 en 22 april 2021. Volgens verweerder kan eiser niet aannemelijk maken dat de noodzakelijke medische zorg in Armenië voor hem niet toegankelijk is, omdat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet met originele documenten heeft aangetoond.
1. Op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2. Eiser is het niet eens met het besluit. Allereerst voert eiser aan dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord over zijn bezwaren. Naar aanleiding van de door eiser ingediende brief van zijn psychiater van 10 februari 2021 heeft verweerder het BMA gevraagd om een aanvullend advies. In het aanvullend advies van 22 april 2021 heeft het BMA geconcludeerd dat bij eiser sprake is van noodzakelijke mantelzorg. Dat was eerder niet het geval. Hierom had verweerder het bezwaar van eiser niet als kennelijk ongegrond kunnen afdoen en had hij eiser moeten horen.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiser in bezwaar. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State2 dat van het horen mag worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Daarvan is hier geen sprake. In het BMA-advies van 23 september 2020 was geconcludeerd dat niet was gebleken dat mantelzorg een essentieel onderdeel was van de medische behandeling van eiser. In bezwaar heeft eiser medische stukken ingediend waarin verweerder aanleiding zag het BMA om nader advies te vragen. Dat verweerder het BMA om aanvullend advies vraagt, maakt al dat niet kan worden gezegd dat op voorhand al duidelijk was dat de bezwaren van eiser niet tot een andersluidend besluit zouden kunnen leiden. Daar komt bij dat naar aanleiding van het aanvullende BMA-advies van 22 april 2021 voor het eerst duidelijk is geworden dat de inzet van mantelzorg noodzakelijk is. Er was dan ook geen sprake van een bezwaar dat op voorhand en overduidelijk geen kans van slagen had. Verweerder heeft de hoorplicht dan ook geschonden. De beroepsgrond van eiser slaagt.
4. Omdat de grond over de schending van de hoorplicht slaagt, is het beroep hierom al gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. Ondanks dat de hoorplicht is geschonden, zal de rechtbank onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit, de inhoudelijke afwijzing van de aanvraag, in stand kunnen blijven. Dat zal de rechtbank hieronder doen.
5. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte niet de mogelijkheid heeft geboden om aannemelijk te maken dat de noodzakelijke medische zorg in Armenië voor hem ontoegankelijk is. Volgens eiser had verweerder hem daartoe wel in de gelegenheid moeten stellen op grond van zijn eigen beleid3. Daarbij merkt eiser op dat hij zijn nationaliteit en identiteit heeft aangetoond. Ter onderbouwing heeft eiser een originele geboorteakte met vertaling overgelegd en een kopie van de voorkant van een verlopen paspoort.
6. Verweerder handhaaft zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk kan maken dat de noodzakelijke medische zorg in Armenië voor hem niet toegankelijk is. Daarvoor is nodig dat eiser zijn identiteit met een origineel identiteitsdocument moet hebben aangetoond. Dat zijn volgens verweerder de door eiser ingediende documenten niet. Daarbij merkt verweerder op dat de door eiser ingediende stukken voor het eerst in beroep zijn ingediend.
2 Zie bij wijze van voorbeeld de uitspraak van 6 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:9).
3 Paragraaf A3/7.1.5 van de Vreemdelingencircula ire 2000.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte eiser niet de mogelijkheid heeft geboden om aannemelijk te maken dat de medische zorg voor hem in Armenië ontoegankelijk is.
7.1.
Het beleid van verweerder houdt in dat een vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om aannemelijk te maken dat de medische zorg voor hem ontoegankelijk is als hij zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond met documenten. Niet in geschil is dat eiser uit Armenië komt. De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn identiteit met de door hem ingediende stukken voldoende heeft onderbouwd en aangetoond. Hij heeft een originele geboorteakte overlegd en een kopie van een verlopen paspoort waar een pasfoto op staat. De gegevens vermeld op de geboorteakte en het paspoort komen overeen. Namelijk dat eiser [naam] is, geboren op [geboortedatum] 1966 in Jerevan. Dit is weliswaar een andere naam dan eiser bij verweerder heeft opgegeven, maar eiser heeft hierover uitleg gegeven en deze uitleg wordt door verweerder niet betwist. Bovendien blijkt uit het dossier dat verweerder al sinds 2012 op de hoogte is van de naam ‘ [naam] ’. In het dossier zit namelijk een besluit4 waaruit blijkt dat eiser op 1 oktober 2012 schriftelijk is gepresenteerd bij de Task Force Armenië. De Task Force heeft meegedeeld dat, op basis van onderzoek in Armenië, is gebleken dat in het verleden aan eiser een paspoort is afgegeven, met nummer [nummer] , op naam van [naam] . De rechtbank stelt vast dat dit paspoortnummer ook staat vermeld op de door eiser overgelegde kopie van zijn paspoort.
7.2.
Dat de door eiser ingediende geboorteakte en kopie van het paspoort niet bij de beoordeling van deze zaak kunnen worden betrokken, volgt de rechtbank niet. Uit het dossier blijkt namelijk dat verweerder al voor het bestreden besluit bekend was met deze stukken. Bovendien moet in het kader van artikel 64 van Pro de Vw ook worden bezien of de feitelijke uitzetting van een vreemdeling kan leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daarvoor is de vaststelling van de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling van belang. Wat daarover in beroep is aangevoerd en overgelegd moet daarom in de beoordeling worden meegewogen.
8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte eiser niet de mogelijkheid geboden om aannemelijk te maken dat de medische zorg voor hem in Armenië ontoegankelijk is. Dat moet verweerder alsnog doen. Om deze reden kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit al niet in stand blijven. Wat eiser verder heeft aangevoerd behoeft gelet hierop geen bespreking.
9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat deze zaak zich daar niet voor leent. Eiser moet immers nog in de gelegenheid worden gesteld om aannemelijk te maken dat de medische zorg voor hem in Armenië ontoegankelijk is. Vervolgens moet verweerder daar een standpunt over innemen en een hoorzitting houden. Het toepassen van een bestuurlijke lus vindt de rechtbank dan ook geen doelmatige en efficiënte manier om de zaak af te doen. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen en rekening houden met deze uitspraak.
4 Het besluit van verweerder van 14 april 2021 dat betrekking heeft op de wijziging van het verblijfsdoel van de eerder aan eiser verleende verblijfsvergunning.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 748,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.496,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op
18 oktober 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Mr. B. Fijnheer S. Westerhof
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de
dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.