ECLI:NL:RBDHA:2021:16610
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige wegens ontbreken wezenlijk Nederlands belang
Eiser, van Turkse nationaliteit en sinds 2014 in Nederland, is vennoot in een VOF die Islamitische slagerijen exploiteert. Hij vroeg een verblijfsvergunning aan om als zelfstandige te mogen werken. Verweerder wees de aanvraag af op basis van negatieve adviezen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO), die concludeerde dat geen wezenlijk Nederlands economisch belang werd gediend.
Eiser voerde aan dat zijn toetreding tot de VOF heeft geleid tot een structurele omzetstijging en dat de adviezen van de RvO niet op zijn persoonlijke situatie waren toegesneden. Hij overlegde rapporten en verklaringen ter onderbouwing. De rechtbank oordeelde dat de adviezen van de RvO zorgvuldig, inzichtelijk en concludent waren en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een unieke bijdrage levert die niet door anderen kan worden vervangen.
De rechtbank stelde vast dat er geen concreet bewijs was dat eiser een wezenlijk Nederlands belang dient en dat de negatieve effecten op de werkgelegenheid niet zijn uitgesloten. Daarom was er geen reden om vrijstelling van het mvv-vereiste te verlenen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.