ECLI:NL:RBDHA:2021:16610

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 oktober 2021
Publicatiedatum
15 juli 2022
Zaaknummer
AWB 21/2121 en AWB 21/2122
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.30 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3.20a Voorschrift Vreemdelingen 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige wegens ontbreken wezenlijk Nederlands belang

Eiser, van Turkse nationaliteit en sinds 2014 in Nederland, is vennoot in een VOF die Islamitische slagerijen exploiteert. Hij vroeg een verblijfsvergunning aan om als zelfstandige te mogen werken. Verweerder wees de aanvraag af op basis van negatieve adviezen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO), die concludeerde dat geen wezenlijk Nederlands economisch belang werd gediend.

Eiser voerde aan dat zijn toetreding tot de VOF heeft geleid tot een structurele omzetstijging en dat de adviezen van de RvO niet op zijn persoonlijke situatie waren toegesneden. Hij overlegde rapporten en verklaringen ter onderbouwing. De rechtbank oordeelde dat de adviezen van de RvO zorgvuldig, inzichtelijk en concludent waren en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een unieke bijdrage levert die niet door anderen kan worden vervangen.

De rechtbank stelde vast dat er geen concreet bewijs was dat eiser een wezenlijk Nederlands belang dient en dat de negatieve effecten op de werkgelegenheid niet zijn uitgesloten. Daarom was er geen reden om vrijstelling van het mvv-vereiste te verlenen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 21/2121 en AWB 21/2122
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 11 oktober 2021 in de zaak tussen
[eiser], geboren op [1999], van Turkse nationaliteit, eiser/verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Gürsus),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. V. Ilic).

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser/verzoeker (hierna te noemen: eiser) van 12 juli 2019 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige afgewezen.
Bij besluit van 7 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [1999] en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser is sinds 2014 in Nederland. Op 9 april 2018 is hij ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als medevennoot van de vennootschap onder firma, [V.O.F.] (VOF). De VOF bestaat uit vier vennoten (familieleden), waaronder eiser, die allen een gelijk winstdeel hebben en zelfstandig bevoegd zijn. De VOF exploiteert vier Islamitische slagerijen: drie in Utrecht en één in Arnhem. Eiser heeft op 12 juli 2019 een verblijfsvergunning aangevraagd om als vennoot van deze onderneming aan te kunnen blijven.
2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser met de beoogde werkzaamheden als vennoot in de slagerij geen wezenlijk Nederlands belang dient. Verweerder heeft dit standpunt gebaseerd op de negatieve adviezen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) van 5 november 2020 en 30 maart 2021. Verweerder heeft eiser daarom niet vrijgesteld van het mvv-vereiste.
3. Eiser voert in beroep aan dat hij met zijn arbeid een zelfstandig en wezenlijk Nederlands belang dient. Hij dient daarom vrijgesteld te worden van het mvv-vereiste. Volgens eiser heeft hij aannemelijk gemaakt dat er geen sprake is van een negatief effect op de markteconomie. De toetreding van eiser tot de VOF heeft geleid tot een structurele omzetstijging vanaf 2019. Eiser wijst hierbij op de rapporten van [bedrijf 2] van 30 november 2020 en 9 mei 2021. Volgens eiser moet een deskundigenadvies inzichtelijk en concludent zijn. Verweerder kon het advies van de RvO niet aan het bestreden besluit ten grondslag leggen omdat dit advies niet is gebaseerd op de op eiser toegesneden feiten en omstandigheden. Eiser heeft in beroep twee verklaringen van [bedrijf 1] overgelegd.
4. Op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdende met het verricht van arbeid als zelfstandige, worden verleend aan de vreemdeling die arbeid als zelfstandige gaat verrichten, waarmee een wezenlijk economisch belang is gediend.
Op grond van artikel 3.20a, vierde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) volgt dat het puntenstelsel niet van toepassing is op vreemdelingen met de nationaliteit van de Republiek Turkije die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefenen. De toetsingscriteria waaraan de vreemdeling met de nationaliteit van de Republiek Turkije die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefent moet voldoen zijn opgenomen in bijlage 8aa van deze regeling.
In bijlage 8aa, behorende bij artikel 3.20, vierde lid, van het VV is - onder meer - opgenomen dat er geen negatieve invloed op de werkgelegenheid mag zijn.
5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat met de door hem boogde arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang is gediend. [1] Verder volgt uit vaste jurisprudentie van de ABRvS dat een advies van de RvO kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder voor de uitoefening van zijn bevoegdheden. Als een dergelijk advies zorgvuldig tot stand is gekomen en wat betreft inhoud inzichtelijk en concludent is, mag verweerder dat aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen. Dat is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het advies. [2]
6. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat niet wordt betwist dat eisers bedrijf voorziet in een behoefte in Nederland. In geschil is alleen of toetreding van eiser op de arbeidsmarkt een negatief effect heeft op werkgelegenheid.
7. Niet in geschil is dat de adviezen van de RvO van 5 november 2020 en 30 maart 2021 moeten worden aangemerkt als deskundigenadviezen. De RvO concludeert dat van een wezenlijk Nederlands economisch belang niet is gebleken. Er is niet aannemelijk gemaakt dat er geen negatief effect is op de werkgelegenheid. Hiertoe is van belang dat eiser geen (afgeronde) op het slagersvak gerichte opleiding heeft gevolgd. Er is niet gebleken dat eiser met zijn werkzaamheden in de slagerij een concrete en/of unieke aan zijn persoon gebonden, toegevoegde waarde heeft voor de VOF welke niet kan worden ingevuld door een andere werkzoekende. Een oorzakelijk verband tussen het toetreden van eiser en de omzetgroei is volgens de RvO niet aangetoond. Bij een toetredende vennoot is het noodzakelijk aan te tonen wat deze vennoot, behalve arbeid, persoonlijk en specifiek bijdraagt aan de onderneming ten opzichte van een willekeurig ander toetredende vennoot of aan te trekken werknemer. Uit de overgelegde stukken over de aard van de werkzaamheden van eiser is volgens de RvO niet gebleken dat hij een dusdanige unieke bijdrage heeft geleverd, of dat hij zelf initiërend is geweest voor de opening van een nieuwe vestiging die deze omzetstijging tot gevolg had. Een uitgewerkt plan voor een nieuwe vestiging die eiser zal opzetten en leiden is bijvoorbeeld niet overgelegd.
8. De rechtbank is van oordeel dat de adviezen van de RvO naar inhoud inzichtelijk en concludent zijn. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waardoor aan de juistheid en volledigheid van de adviezen kan worden getwijfeld. Eiser heeft weliswaar rapporten van [bedrijf 2] van 30 november 2020 en 9 mei 2021 overgelegd, maar deze rapporten kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan de adviezen van de RvO. Van belang is dat uit deze rapporten niet blijkt dat eisers werkzaamheden in de slagerij niet kunnen worden ingevuld door een andere werkzoekende. Uit de rapporten blijkt niet dat sprake is van unieke, aan de persoon van eiser gebonden kwaliteiten op het gebied van bedrijfsvoering of vleesverwerking. Ook is het verband tussen de toetreding van eiser tot de VOF en de omzetstijging niet onderbouwd omdat niet is gebleken dat eiser hieraan een unieke bijdrage heeft geleverd. De door eiser in beroep overgelegde verklaringen van [bedrijf 1] leiden naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel aangezien hierin niet wordt ingegaan op hetgeen door verweerder aan eiser is tegengeworpen.
9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser met zijn activiteiten voor de VOF geen wezenlijk Nederlands belang dient. Er bestond voor verweerder dan ook geen aanleiding om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste.
10. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.
11. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Ettikhoven, griffier. De beslissing is uitgesproken op 11 oktober 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Zie ABRvS 14 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:138)
2.Zie ABRvS 18 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:174)