ECLI:NL:RVS:2014:138
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling levensvatbaarheid onderneming voor verblijfsvergunning zelfstandige
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, die het besluit van 16 februari 2011 tot afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd vernietigde. De rechtbank had geoordeeld dat de adviezen van het Agentschap NL over de levensvatbaarheid van de onderneming niet inzichtelijk en concludent waren.
De Raad van State overweegt dat het Agentschap deskundigenadviezen heeft uitgebracht over de economische levensvatbaarheid van de onderneming van de vreemdeling. Deze adviezen geven aan dat de omzet en het bedrijfsresultaat in 2012 aanzienlijk zijn gedaald ten opzichte van 2011, waardoor de onderneming niet levensvatbaar is en geen wezenlijk Nederlands belang dient. De Raad oordeelt dat deze conclusie inzichtelijk is en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de adviezen niet concludent zijn.
De Raad stelt vast dat de stukken die de vreemdeling in beroep heeft overgelegd niet bij de toetsing van het besluit mogen worden betrokken, omdat alleen feiten en omstandigheden ten tijde van het besluit relevant zijn. Ook de stelling van de vreemdeling dat de bedrijfskosten in 2011 niet geëxtrapoleerd kunnen worden naar 2012 is onvoldoende onderbouwd.
Verder faalt de klacht dat het toelatingsbeleid ten aanzien van Turkse zelfstandigen strenger zou zijn geworden en dat daardoor de standstill-bepaling in het Aanvullend Protocol is geschonden. De Raad verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.