ECLI:NL:RBDHA:2021:1663
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Italië op grond van interstatelijk vertrouwensbeginsel
Verzoekers maakten bezwaar tegen hun voorgenomen feitelijke uitzetting naar Rome, Italië, gepland op 4 februari 2021, en verzochten om een voorlopige voorziening die de uitzetting zou verbieden totdat in hoogste instanties onherroepelijk is beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De feitelijke uitzetting is gelijkgesteld aan een besluit waartegen bezwaar mogelijk is, maar dit bezwaar is beperkt tot nieuwe feiten die de rechtmatigheid van de uitzetting aantasten. Verzoekers voerden gezondheidsproblemen en kwetsbaarheid van het gezin aan, maar leverden onvoldoende objectieve medische gegevens om de ernst aan te tonen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel met betrekking tot Italië nog steeds geldt en dat geen sprake is van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. De voorzieningenrechter vond het belang van de Staat om tot uitzetting over te gaan zwaarder wegen dan het belang van verzoekers om het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel af te wachten.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en mocht de uitzetting doorgaan. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Italië wordt afgewezen, waardoor de uitzetting kan plaatsvinden.