Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 30 september 2021 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000 wegens een redelijk vermoeden van illegaal verblijf na het ontvluchten van een buitenlands schip. De maatregel werd op 5 oktober 2021 opgeheven nadat eiser zijn asielaanvraag had ingetrokken en niet langer claimbaar was onder de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelde dat het redelijk vermoeden van illegaal verblijf gegrond was, ondanks het verweer van eiser dat hij mogelijk op het schip had gewerkt. Wel werd geoordeeld dat het gebruik van handboeien tijdens het transport onrechtmatig was, omdat niet was aangetoond dat er sprake was van vluchtgevaar of gevaar voor veiligheid, zoals vereist volgens de Ambtsinstructie.
De onrechtmatigheid van het gebruik van handboeien leidt volgens vaste jurisprudentie tot onrechtmatigheid van de bewaring, omdat verweerder geen zwaarwegende belangen had gesteld die dit konden rechtvaardigen. De rechtbank kende daarom een schadevergoeding toe van €630,- voor zes dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de Staat tot betaling van de proceskosten van €1.496,-.