ECLI:NL:RVS:2019:205
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende motivering gebruik handboeien
De vreemdeling werd op 7 december 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof het gebruik van handboeien tijdens het transport van de vreemdeling. Het proces-verbaal vermeldde het gebruik van handboeien zonder nadere toelichting. De staatssecretaris gaf aan dat het gebruik verband hield met een voorafgaand strafrechtelijk traject, maar dit lag buiten de toetsing van de vreemdelingenrechter. De vreemdeling stelde dat de staatssecretaris niet had gemotiveerd welke feiten of omstandigheden het gebruik van handboeien rechtvaardigden, zoals vereist in artikel 22 van Pro de Ambtsinstructie.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het ontbreken van een dergelijke motivering in strijd is met artikel 22, tweede lid, van de Ambtsinstructie. Gelet op artikel 94, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 leidt dit tot onrechtmatigheid van de bewaring, omdat de staatssecretaris geen zwaarwegende belangen had gesteld die deze onrechtmatigheid rechtvaardigen. Het hoger beroep werd daarom gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven. Tevens werd aan de vreemdeling een schadevergoeding toegekend en de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard en opgeheven, met toekenning van vergoeding en proceskosten aan de vreemdeling.