ECLI:NL:RBDHA:2021:16796

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 november 2021
Publicatiedatum
1 augustus 2022
Zaaknummer
NL21.16130
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1b VbArt. 5.1b lid 3 VbArt. 5.1b lid 4 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling en schadeverzoek

Eiser, van Kameroense nationaliteit, werd op 11 juni 2021 aangehouden en vervolgens in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gebaseerd op een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser betwistte enkele gronden van bewaring, maar de rechtbank oordeelde dat de overige gronden voldoende waren om de maatregel te dragen.

Eiser stelde dat de overheid te laat had gehandeld, aangezien al in juli 2021 een verklaring van nationaliteit en laissez passer waren afgegeven, en dat het overdrachtsbesluit niet aan hem was uitgereikt. De rechtbank stelde vast dat het overdrachtsbesluit op 1 september 2021 aan eiser was uitgereikt en dat de overheid tijdig en voortvarend had gehandeld, ook tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser.

Verder legde de rechtbank uit dat de vertraging in de overdracht naar Italië te wijten was aan restricties van de Italiaanse autoriteiten en luchtvaartmaatschappijen, waardoor de vlucht van 9 november 2021 werd verplaatst naar 18 november 2021. Ondanks de onwenselijke wachttijd achtte de rechtbank het handelen van verweerder voldoende voortvarend.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.16130
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. Altena-Staalenhoef), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Lorier).

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 25 oktober 2021 geopend. Tijdens deze zitting was er geen tolk aanwezig en heeft de rechtbank in overleg met partijen besloten de zaak te verplaatsen naar de zitting van 1 november 2021. De rechtbank heeft het beroep op 1 november 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P. Berry. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Kameroense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1997].
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:
1. Artikel 5.1b, derde lid., van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht
aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3b en 3c en de lichte grond 4c betwist. Ter zitting heeft verweerder de zware grond 3c laten vallen. De overige gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen worden niet betwist.
4. De zware gronden 3a en 3k en de lichte gronden 4a en 4d zijn voldoende om aan te nemen dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en kunnen de maatregel van bewaring al dragen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet en de rechtbank laat de geschilpunten over de overige gronden van bewaring onbesproken.
Inspanningsverplichting en voortvarendheid
5. Eiser voert aan dat hij op 11 juni 2021 is aangehouden en dat er op 13 juli 2021 een ‘verklaring van nationaliteit’ is afgegeven. Vanaf juli was al duidelijk dat eiser in oktober vrij zou komen. Op dat moment was er ook al een laissez passer (LP), waardoor hij eerder kon worden uitgezet dan pas op 18 november 2021. Het is niet duidelijk waarom verweerder heeft gewacht met actie ondernemen totdat eiser in vreemdelingenbewaring zat, terwijl dit ook al tijdens de strafrechtelijke detentie mogelijk was. Daarnaast is er een overdrachtsbesluit genomen op 26 augustus 2021, maar is niet duidelijk dat deze ook aan eiser is uitgereikt. Ook is niet duidelijk gemaakt waarom de vlucht van 9 november 2021 is verplaatst naar 18 november 2021.
6. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft direct voorafgaand aan de maatregel van bewaring in strafrechtelijke detentie gezeten. Verweerder moet gedurende de strafrechtelijke detentie van eiser zoveel mogelijk voorkomen dat hij na zijn strafrechtelijke detentie in bewaring wordt gesteld.3 Verweerder heeft op 11 augustus 2021 een claimverzoek ingediend bij de Italiaanse autoriteiten, dit verzoek is op 26 augustus 2021 geaccepteerd. Ook heeft de regievoerder op 31 augustus 2021 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Daarnaast is het overdrachtsbesluit van 26 augustus 2021 op 1 september 2021 uitgereikt aan eiser. Op dit besluit staat dat de uitreiking is gedaan door [A], medewerker Backoffice van Justitieel Complex Zaanstad. Verweerder mag er daarom vanuit gaan dat dit besluit is uitgereikt. Doordat deze acties zijn ondernomen terwijl eiser in
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
3 Paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
strafrechtelijke detentie zat, heeft verweerder voldoende voldaan aan zijn inspanningsverplichting.
7. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder tijdens de inbewaringstelling van eiser voldoende voortvarend heeft gehandeld. Op 7 oktober 2021 heeft verweerder een bericht ontvangen waarin stond dat eiser op 8 oktober 2021 in vrijheid zou worden gesteld. Dit was een vervroegde in vrijheidstelling. Verweerder heeft op 11 oktober 2021 een vlucht aangevraagd naar Italië en op 13 oktober 2021 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat er restricties zijn in Italië voor de overdracht van Dublinclaimanten. Deze restricties houden in dat er per dag maximaal 15 Dublinclaimanten vanuit heel Europa naar Italië overgedragen kunnen worden. Van deze Dublinclaimanten kunnen er 10 naar Rome en 5 naar Venetië gevlogen worden. Daarnaast moet de overdracht plaatsvinden voor 14.00 uur. De vlucht die voor 9 november 2021 was aangevraagd zou niet voor 14.00 uur aankomen, waardoor deze verplaatst moest worden naar een andere datum. De eerst volgende mogelijkheid was 18 november 2021. De conclusie is dan ook dat eiser lang moet wachten op zijn overdracht, wat onwenselijk is, maar dat verweerder afhankelijk is van de Italiaanse autoriteiten en luchtvaartmaatschappijen. Deze omstandigheden maken dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
02 november 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.