Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
.
Overwegingen
Betalingsonmacht
Achtergrond
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Poolse Unieburger met ernstig letsel en 24-uurszorgbehoefte, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid dat zijn rechtmatig verblijf in Nederland is geëindigd op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard en een belangenafweging gemaakt waarbij onder meer het ontvangen van een PW-uitkering en het strafrechtelijk verleden van eiser zijn betrokken.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf en dat de medische problematiek niet ter discussie staat. De belangenafweging is in het nadeel van eiser uitgevallen omdat onvoldoende is aangetoond dat de benodigde medische zorg niet in Polen beschikbaar is en dat reizen naar Polen onmogelijk is. Verweerder mocht aannemen dat de medische zorg in Polen vergelijkbaar is en dat begeleiding bij reizen mogelijk is.
Eiser voerde aan dat verweerder een onvolledige belangenafweging maakte en in strijd handelde met artikel 3 en Pro 8 EVRM en het arrest Paposhvili, alsmede dat een BMA-advies ontbrak conform het arrest Korošec. De rechtbank oordeelt dat dit niet tot een andere uitkomst leidt en dat geen ongerechtvaardigd onderscheid is gemaakt tussen eiser en een alleenstaande Unieburger-ouder met schoolgaand kind.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het beëindigen van het rechtmatig verblijf en de verwijdering wordt ongegrond verklaard.