ECLI:NL:RBDHA:2021:16830
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit wegens onrechtmatig verblijf en gezinsleven
Eiseres, van Surinaamse nationaliteit, verblijft sinds december 2019 onrechtmatig in Nederland. Verweerder legde haar een terugkeerbesluit op met een vertrektermijn van 28 dagen, aangevuld met een besluit waarin Suriname als terugkeermogelijkheid werd genoemd.
Eiseres voerde aan dat zij niet kon terugkeren vanwege haar zorg voor haar Duitse partner en haar band met minderjarige kinderen en kleinkinderen in Nederland, verwijzend naar artikel 7 van Pro Richtlijn 2004/38 en artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet verplicht is deze belangen bij het terugkeerbesluit te toetsen, maar dat daarvoor een aparte verblijfsaanvraag moet worden ingediend.
Hoewel eiseres tijdens de zitting verklaarde een verblijfsaanvraag te hebben ingediend, kon verweerder deze niet terugvinden en was deze aanvraag bovendien na het terugkeerbesluit gedaan. De rechtbank concludeerde dat het terugkeerbesluit rechtmatig is en wees het beroep af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft in stand.