Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser/verzoeker] , eiser/verzoeker
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Tunesische nationaliteit dragende vader, verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest Chavez-Vilchez, waarbij hij een afgeleid verblijfsrecht ontleent via zijn minderjarige Nederlandse dochter. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat eiser niet kon aantonen dat hij meer dan marginale zorgtaken verricht en dat zijn dochter zodanig van hem afhankelijk is dat zij de EU zou moeten verlaten bij weigering van het verblijfsrecht.
De rechtbank oordeelde dat de vier uur wekelijkse omgang die eiser heeft met zijn dochter onvoldoende is om te spreken van daadwerkelijke zorgtaken die het marginale karakter overstijgen. Hoewel eiser stelde dat de omgang door de moeder werd gefrustreerd, kon hij dit niet aantonen aan de hand van een door een rechter vastgestelde omgangsregeling. De rechtbank stelde dat de moeder de omgangsregeling niet belemmert en dat het marginale karakter van de zorgtaken daarom aan eiser kan worden toegerekend.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat zijn dochter zonder hem Nederland niet kan blijven en dus feitelijk gedwongen zou zijn de EU te verlaten. De emotionele en affectieve relatie tussen moeder en dochter is sterker, mede omdat eiser lange tijd niet op hetzelfde adres als zijn dochter stond ingeschreven. Ook is geen aanwijzing dat de ontwikkeling van het kind onevenredig wordt bedreigd door het contact op afstand met haar vader.
De rechtbank verleende vrijstelling van griffierecht aan eiser, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens onvoldoende aantoonbare daadwerkelijke zorgtaken en afhankelijkheid.