Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Colombiaanse nationaliteit, werd op 6 oktober 2021 aangehouden op grond van de Wet Wapens en Munitie en vervolgens in bewaring gesteld op basis van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Tegelijkertijd werd een terugkeerbesluit met een inreisverbod van twee jaar opgelegd. De maatregel van bewaring werd op 20 oktober 2021 opgeheven.
Eiser betoogde dat hij ten onrechte in bewaring was gesteld, omdat hij geen wapens bij zich had en zijn persoonlijke spullen, waaronder zijn paspoort, niet bij zich had maar in een bungalow lagen waarvan hij het adres niet kende. Hij stelde dat hij zelfstandig had kunnen terugvliegen en dat de bewaring onrechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat zij niet bevoegd was om te oordelen over het strafrechtelijke voortraject en dat de gronden voor bewaring en het terugkeerbesluit voldoende waren gemotiveerd en feitelijk juist.
De rechtbank achtte de zware grond dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen feitelijk juist, mede omdat eiser zijn paspoort pas na de bewaring terugkreeg en daarmee eenvoudig had kunnen aantonen dat hij in bezit was van een paspoort. De lichte gronden werden niet bestreden en samen waren deze voldoende voor de maatregel van bewaring. Het beroep op het opleggen van een lichter middel slaagde niet omdat eiser dit niet had onderbouwd.
Ten aanzien van het terugkeerbesluit met inreisverbod oordeelde de rechtbank dat de gronden gelijk waren aan die voor de bewaring en dat het risico op het onttrekken aan toezicht dit besluit rechtvaardigde. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard en afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring en het terugkeerbesluit met inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.