ECLI:NL:RBDHA:2021:16910
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening verblijf bij vader op grond van artikel 8 EVRM
Verzoekster, geboren in 1995, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM Pro, gericht op familieleven bij haar vader. De aanvraag werd door verweerder afgewezen en er werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster een spoedeisend belang had bij de voorlopige voorziening vanwege het nog geldende terugkeerbesluit. Verweerder stelde dat verzoekster niet viel onder het jongvolwassenbeleid en dat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestond tussen verzoekster en haar vader. De voorzieningenrechter vond deze motivering onvoldoende, met name omdat leeftijd alleen geen doorslaggevend criterium is en verweerder niet had toegelicht waarom eerdere zelfstandige asielaanvraag relevant was.
Ook de argumenten over het niet aantonen van ten laste zijn of inwoning in Irak werden niet als relevant beoordeeld, omdat het beleid zich richt op de huidige situatie in Nederland. De voorzieningenrechter concludeerde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom verzoekster niet vrijgesteld zou zijn van het mvv-vereiste en dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waardoor verzoekster in Nederland kan blijven totdat de bezwaarprocedure is afgerond. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 1.496,-. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen zodat verzoekster de beslissing op bezwaar in Nederland kan afwachten.