ECLI:NL:RBDHA:2021:16951
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op verblijfsvergunning na niet-geloofwaardige geloofsverdieping en onvoldoende bewijs vervolging
Eiser, een Iraakse asielzoeker die zich heeft bekeerd tot het christendom, diende een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij niet kon terugkeren vanwege vervolging door zijn vader en stam, mede door zijn geloofsverdieping. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, waarop eiser beroep instelde.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn geloofsverdieping sinds de vorige aanvraag was toegenomen. Zijn verklaringen waren oppervlakkig en boden weinig inzicht in zijn persoonlijke geloofsgroei. De brief van de pastoor werd als onvoldoende bewijs beoordeeld omdat deze geen inzicht gaf in de oprechtheid van zijn bekering.
Ook de door eiser overgelegde vogelvrijverklaring werd niet geloofwaardig geacht, mede omdat zijn broers, die ook op het document stonden, vrijwillig naar Irak waren teruggekeerd. De rechtbank vond dat verweerder terecht de aanvraag had afgewezen en het beroep ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.