Eiseres, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, vroeg een verblijfsdocument EU/EER aan op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege verblijf bij haar Nederlandse kinderen. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres haar identiteit en nationaliteit niet aannemelijk zou hebben gemaakt met geldige documenten.
Eiseres stelde bewijsnood te hebben omdat zij door omstandigheden haar documenten niet kon overleggen en zij meerdere pogingen had gedaan via de ambassade om haar identiteit te bevestigen. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom het beroep op bewijsnood werd verworpen en dat verweerder zijn onderzoeksplicht en hoorplicht had geschonden.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder binnen tien weken een nieuw besluit moet nemen, waarbij eiseres alsnog gehoord moet worden. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.