ECLI:NL:RBDHA:2021:16962
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing proceskostenvergoeding na herroeping besluit verblijfsvergunning familieband
Eiser heeft een aanvraag gedaan voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 EVRM Pro, welke door verweerder in 2017 is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van de familieband. In bezwaar werd het besluit in 2021 herroepen nadat eiser het originele familieboekje overlegde, waarmee de familieband kon worden vastgesteld. Verweerder weigerde echter de proceskosten te vergoeden omdat de herroeping niet te wijten zou zijn aan onrechtmatigheid van het bestuursorgaan, maar aan feiten die pas in bezwaar bekend werden.
De rechtbank oordeelt dat het primaire besluit niet wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid is herroepen, omdat het ontbreken van het originele familieboekje en de daarmee samenhangende beoordeling van de familieband de reden was voor afwijzing. Pas in bezwaar werd het originele familieboekje overlegd en onderzocht. Daarom is het beroep tegen de afwijzing van de proceskostenvergoeding ongegrond verklaard.
De uitspraak is gedaan door rechter C. Karman en griffier L.S. Lodder, en is op 30 november 2021 uitgesproken en openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de proceskostenvergoeding wordt ongegrond verklaard.