Verzoekster, afkomstig uit Palestina en moeder van een Nederlandse dochter, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel familie en gezin. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en het niet voldoen aan de vrijstellingscriteria van het mvv-vereiste.
Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat er wel degelijk sprake was van een spoedeisend belang, mede omdat er een terugkeerbesluit tegen verzoekster geldt. Verweerder was niet op de zitting verschenen en had het verzoekschrift inhoudelijk niet betwist.
Daarom woog de voorzieningenrechter het belang van verzoekster om de bezwaarprocedure in Nederland af te wachten zwaarder dan het belang van verweerder. Het verzoek om voorlopige voorziening werd toegewezen, het bestreden besluit geschorst en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.