Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Overwegingen
Beslissing
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 748,-.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, van Iraanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 26 oktober 2021 werd afgewezen als ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 19 november 2021 en concludeerde dat vanwege de uitspraak in de bodemzaak (zaaknummer NL21.17238) een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 748,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De voorzieningenrechter motiveerde dit door te verwijzen naar reeds toegekende punten in de bodemzaak en de behandeling ter zitting.
De uitspraak werd gedaan op 30 november 2021 door voorzieningenrechter C. Karman, en griffier R.G.A. Beijen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 748,-.