ECLI:NL:RBDHA:2021:17017

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2021
Publicatiedatum
30 augustus 2022
Zaaknummer
NL21.19160
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitVerordening (EU) 2016/399Schengengrenscode
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen bewaring en terugkeerbesluit wegens illegale uitreis naar Engeland ongegrond verklaard

Eiser, van Albanese nationaliteit, werd op 7 december 2021 geconfronteerd met een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar, alsmede een maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De maatregel van bewaring werd op 13 december 2021 opgeheven, waarna eiser zijn beroep tegen deze maatregel introk. De rechtbank behandelde het beroep op 20 december 2021, waarbij eiser niet aanwezig was.

De rechtbank overwoog dat eiser zich illegaal in Nederland bevond en het Schengengebied was binnengekomen met de intentie om door te reizen naar Engeland, waar hij geen visum voor had. Eiser werd aangetroffen in een trailer bij de Stena Line in Rotterdam, een bekende methode om grenscontroles te omzeilen. De rechtbank stelde vast dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland was binnengekomen en zich niet had gemeld bij de autoriteiten, waardoor de vrije termijn niet was aangevangen.

Gezien deze feiten concludeerde de rechtbank dat er voldoende gronden waren om aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken, wat de maatregel van bewaring rechtvaardigde. Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring, het terugkeerbesluit en het inreisverbod is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.19160
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.H.P. Buren), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2021 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft op 13 december 2021 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft op 16 december 2021 zijn beroep tegen de maatregel van bewaring ingetrokken.
De rechtbank heeft het beroep op 20 december 2021 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Albanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1990] .
2. Verweerder heeft in het terugkeerbesluit en het inreisverbod overwogen dat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft alle gronden die aan het terugkeerbesluit liggen, bestreden. Ten aanzien van de zware gronden 3a en 3b voert eiser aan dat hij recht heeft op een vrije termijn. Hij is van Albanese nationaliteit en hij is in het bezit van een biometrisch paspoort. Een Albanees staatsburger heeft in principe een vrije termijn van drie maanden, aldus eiser.
4. De rechtbank overweegt dat verweerder bij de zware gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, kan volstaan met een toelichting waaruit de feitelijke juistheid van die grond blijkt. Voor een doorreis naar Engeland dient eiser in het bezit te zijn van een visum, omdat de visumvrijstelling voor Albanezen niet geldt voor Engeland. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de ABRvS van 7 juni 2018. Eiser is aangetroffen in een trailer in Rotterdam bij de Stena Line te Europoort. Uit ervaringsgegevens van verweerder is gebleken dat veel vreemdelingen zich de toegang verschaffen tot het kadeterrein om zo de grenscontroles te ontlopen door in te klimmen in vrachtwagens en containers welke verscheept worden naar Groot-Brittannië. Daarnaast heeft eiser in zijn gehoor bevestigd dat hij als doel had om naar Engeland te reizen:
"
Verbalisant: U bent vandaag tijdens de grenscontrole aangetroffen in een trailer. Ik heb het vermoeden dat u dat gedaan heeft om op illegale wijze naar Engeland te reizen, omdat u niet in het bezit bent van de juiste documenten. Klopt dit ?
Eiser: Ja"
5. Gelet op het korte verblijf in Nederland, de verklaringen van eiser en de wijze waarop hij probeerde naar Engeland te reizen, mocht verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, aannemen dat eiser het Schengengebied is ingereisd met de bedoeling om illegaal uit te reizen naar Engeland. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet op de voorgeschreven wijze is ingereisd, de vrije termijn nooit is aangevangen en eiser zich bij binnenkomst had moeten melden bij de Nederlandse autoriteiten. Dat laatste heeft eiser niet gedaan. De bewaringsgronden onder 3a en 3b zijn samen voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze twee gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige bewaringsgronden bespreekt de rechtbank daarom niet. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2 ingevolge overweging 42 van de considerans van de Verordening (EU) 2016/399 (PB 2016, L 77),
de Schengengrenscode.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af..
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr.
M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
24 december 2021
en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
Mr. J.A. Schuman M.A.W.M. Engels
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden
ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.