ECLI:NL:RBDHA:2021:17057
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling wegens overschrijding beslistermijn asielaanvraag
Verzoeker diende op 5 september 2019 een asielaanvraag in. Na het uitblijven van een besluit stelde verzoeker de Staatssecretaris op 24 maart 2020 in gebreke. De rechtbank bepaalde op 30 juli 2020 dat binnen 16 weken een besluit moest worden genomen, op straffe van een dwangsom. Op 24 december 2020 werd de asielaanvraag ingewilligd, maar zonder beslissing over de dwangsom. Verzoeker stelde de Staatssecretaris opnieuw in gebreke op 11 januari 2021 en stelde beroep in tegen het uitblijven van een dwangsombesluit.
De Staatssecretaris voerde aan dat de rechtbank onbevoegd was omdat een dwangsombesluit geen besluit in de zin van de Awb zou zijn en een ingebrekestelling niet leidt tot een besluit. De rechtbank verwierp dit standpunt en stelde dat de rechtbank wel bevoegd is het beroep te behandelen, verwijzend naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank wees het verzoek om proceskostenveroordeling toe en legde de proceskosten vast op € 374,-, rekening houdend met de beperkte omvang van de procedure. De Staatssecretaris werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan verzoeker.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van € 374,- aan proceskosten wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit.