ECLI:NL:RVS:2014:1290
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging beslissing dwangsombesluit wegens niet tijdig nemen door staatssecretaris
Op 8 augustus 2011 dienden appellanten een Wob-verzoek in bij de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu. Na meerdere ingebrekestellingen stelde de staatssecretaris bij besluit van 18 januari 2012 dat hij een dwangsom van €1.260,00 verschuldigd was wegens niet tijdig beslissen op het verzoek en €550,00 wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit. Appellanten maakten bezwaar tegen de toekenning van de dwangsom van €550,00, dat door de staatssecretaris werd afgewezen bij besluit van 24 juli 2012. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond.
Appellanten stelden onder meer dat het dwangsombesluit een besluit op aanvraag is en dat de ingebrekestelling als aanvraag moet worden gezien, zodat de staatssecretaris een dwangsom kon verbeuren. De Afdeling oordeelt echter dat het dwangsombesluit een ambtshalve te nemen beschikking is en niet onder artikel 4:17 Awb Pro valt. De ingebrekestelling dient slechts om het bestuursorgaan aan te sporen tot besluitvorming en is geen aanvraag. Tegen het uitblijven van het dwangsombesluit kan beroep worden ingesteld bij de rechter na het verstrijken van een termijn van twee weken.
De Afdeling stelt vast dat de staatssecretaris ten onrechte van het horen van appellanten is afgezien, terwijl dit gezien de gewijzigde standpunten niet was toegestaan. Daarom verklaart de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor zover het de dwangsom betreft, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Tevens veroordeelt zij de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd met behoud van rechtsgevolgen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.