Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 5 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Daarnaast wordt haar geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 juncto artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en wordt haar geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 juncto artikel 6.1e van het Vb 2000.
Overwegingen
-Identiteit, nationaliteit en herkomst;
11 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2954) en 28 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1240), volgt dat bij het tegenwerpen van een beschermingsalternatief alle door de vreemdeling aangevoerde feiten en omstandigheden bij de beoordeling dienen te worden betrokken, waarbij in de hierboven genoemde uitspraak van 8 oktober 2020 een uitzondering wordt gemaakt voor medische omstandigheden. In Werkinstructie 2014/10 is opgenomen dat de bewijslast bij het tegenwerpen van een beschermingsalternatief in beginsel bij de overheid ligt.
Beslissing
- heropent het onderzoek;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen drie maanden na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen in deze tussenuitspraak;
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.