ECLI:NL:RBDHA:2021:2296

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2021
Publicatiedatum
12 maart 2021
Zaaknummer
NL20.5439
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 3 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende onderzoek naar risico's voor afvallige moslims in Irak

Eiser, van Iraakse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door verweerder werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelde dat hij afvallig moslim en atheïst is en daardoor risico loopt bij terugkeer naar Irak. Het beroep werd aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden binnen de gestelde termijn.

De rechtbank oordeelde echter dat bijzondere feiten en omstandigheden, zoals het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij uitzetting, een uitzondering vormen op de niet-ontvankelijkheid. De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende feitelijk onderzoek had verricht naar de situatie van afvallige moslims en atheïsten in Irak.

Het ambtsbericht en overgelegde stukken toonden aan dat het zijn van een afvallig moslim en atheïst in Irak problemen kan opleveren met familie, bevolking en milities. De rechtbank vond dat het ontbreken van een actief uitkomen voor atheïsme in Irak niet uitsluit dat er risico's zijn. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel is vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen na nader onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.5439

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Dalhuisen).

ProcesverloopBij besluit van 25 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 6 april 2020 is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft daartegen verzet ingesteld. Bij uitspraak van 1 december 2020 is het verzet gegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer A.S. Aarif. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
2.1
De rechtbank zal allereerst beoordelen of het beroep ontvankelijk is.
2.2.
Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d,
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het beroepschrift de gronden van het beroep
vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met
het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank - na een herstelmogelijkheid -
het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
2.3
Eiser heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft eiser bij brief van 2 maart 2020 verzocht om binnen één week dit verzuim te herstellen.
2.4
De beroepsgronden dateren van 11 maart 2020 en zijn daarmee buiten de termijn ontvangen. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim, zodat geen verontschuldiging voor dit verzuim is gebleken. Er bestaat daarom in beginsel aanleiding het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
3.1
Dit is slechts anders als zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden, als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 in zaak
nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (JV1998/45) voordoen. Dat zijn feiten en omstandigheden die onmiskenbaar tot het oordeel leiden dat uitzetting van eiser schending van art. 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) zou opleveren. Als dergelijke bijzondere omstandigheden zich voordoen, zal de rechtbank het bestreden besluit toetsen en de procedureregel van artikel 6:6 van Pro de Awb niet tegenwerpen.
3.2
De beoordeling of sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden vergt volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU2866, een zelfstandige beoordeling door de rechter op basis van wat in de procedure bekend is geworden. De Afdeling oordeelt echter ook dat niet op voorhand elke betekenis kan worden ontzegd aan de standpunten van verweerder.
3.3
Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij een afvallig moslim en atheïst is. Verweerder heeft dat geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder niet betwist dat eiser niet zal liegen en zijn mening zal geven, als hem in Irak (direct of indirect) naar zijn geloof wordt gevraagd. Het standpunt van verweerder dat eiser blijkens het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van december 2019 geen gevaar loopt in Irak omdat zijn gedrag niet is veranderd en hij zijn atheïsme niet actief naar buiten zal brengen volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit dit ambtsbericht. Eerder blijkt daaruit en uit de door eiser overgelegde stukken dat alleen al het zijn van een afvallig moslim en atheïst in Irak problemen kan opleveren met familieleden, de bevolking en milities. Uit de omstandigheid dat eiser gedurende tien jaren in Irak al geen praktiserend moslim meer was en daardoor geen zwaarwegende problemen heeft ondervonden volgt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat hij geen risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Die situatie is niet vergelijkbaar met het openlijk toegeven een afvallige en atheïst te zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat zonder nader feitelijk onderzoek van verweerder naar de situatie van afvallige moslims en atheïsten die terugkeren naar Irak, niet op deugdelijke wijze kan worden beoordeeld of sprake is van eerdergenoemde bijzondere feiten of omstandigheden.
4. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1068,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Korporaal-Wisman, griffier.
De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op de hierboven vermelde datum.
De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.