ECLI:NL:RBDHA:2021:2430
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Te late indiening aanvraag uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven niet verschoonbaar
Eiseres diende op 29 oktober 2018 een aanvraag in voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven vanwege een poging tot doodslag op 26 november 1989. Verweerder kende haar aanvankelijk een uitkering toe, maar verklaarde het bezwaar ongegrond omdat de aanvraag niet binnen de wettelijke termijn van tien jaar was ingediend.
Eiseres stelde dat zij pas recent op de hoogte was van het bestaan van het schadefonds en dat het geweldsincident pas later aan het licht kwam door latere bedreigingen. Verweerder stelde dat eiseres al op 27 november 2014 een eerdere aanvraag had ingediend voor een ander incident en dat zij daarmee en haar advocaat op de hoogte waren van de mogelijkheid tot aanvraag. De rechtbank oordeelde dat eiseres niet zo spoedig als redelijkerwijs verlangd kon worden haar aanvraag had ingediend, omdat zij bijna vier jaar wachtte na de eerdere aanvraag.
De rechtbank stelde vast dat het schadefonds al bestond ten tijde van het geweldsincident in 1989 en dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de termijn doorloopt vanwege de bedreigingen. Daarom is de te late indiening niet verschoonbaar. De rechtbank kwam niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de hoogte van de uitkering en bevestigde dat eiseres de eerder toegekende uitkering mag behouden.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de aanvraag niet binnen de wettelijke termijn is ingediend en de vertraging niet verschoonbaar is.