ECLI:NL:RBDHA:2021:2671
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf op grond van artikel 8 EVRM
Eiseres, Iraanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar meerderjarige zoon, referent, in Nederland te verblijven. Verweerder wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat alleen bij zeer bijzondere feiten en omstandigheden een positieve verplichting tot verblijf bestaat bij eerste toelating. Eiseres betwistte deze maatstaf en stelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met haar situatie en de psychische toestand van referent.
De rechtbank stelde vast dat familieleven tussen eiseres en referent bestaat en dat geen inmenging in dat recht was, maar dat beoordeeld moest worden of een positieve verplichting tot verblijf bestond. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom bij eerste toelating alleen bij zeer bijzondere omstandigheden een positieve verplichting zou bestaan en dat verweerder niet alle relevante feiten, met name de psychische klachten van referent die verband houden met de afwijzing, had betrokken in de belangenafweging.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; verweerder moet een nieuw besluit nemen met nadere motivering en volledige belangenafweging.