ECLI:NL:RBDHA:2021:2789

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2021
Publicatiedatum
23 maart 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2741
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslagen en aanslagen inkomstenbelasting en Zvw wegens onduidelijkheid over inkomstenbemiddeling

Eiser, woonachtig in Nederland, fungeerde als tussenpersoon voor houthandelaren in Suriname en ontving vergoedingen contant via familie en vrienden die deze bedragen vervolgens op zijn bankrekening stortten. Eiser gaf in zijn aangiften IB/PVV lagere bedragen aan dan daadwerkelijk op zijn rekening werden gestort. Verweerder corrigeerde het resultaat uit overige werkzaamheden en legde navorderingsaanslagen en aanslagen op, inclusief vergrijpboetes en belastingrente.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de stortingen leningen waren in plaats van inkomsten uit bemiddelingswerkzaamheden. De door eiser overgelegde leningsovereenkomst was niet relevant voor de jaren in geschil en de verklaringen waren wisselend en onvoldoende onderbouwd. De beroepen tegen de Zvw-aanslagen werden niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening.

Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder niet in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids-, evenredigheids- of motiveringsbeginsel. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd en toegelicht waarom van de aangiften werd afgeweken en heeft eiser gelegenheid gegeven tot het verstrekken van nadere informatie. De beroepen tegen de IB/PVV-aanslagen zijn ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen en aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen zijn ongegrond verklaard; de beroepen tegen de Zvw-aanslagen zijn niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 20/2741 en SGR 20/2745

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van18 februari 2021 in de zaken tussen

[eiser] , eiser(gemachtigde: mr. S. Gena),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van verweerder van 3 maart 2020 op de bezwaren van eiser tegen de voor het jaar 2015 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV), de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag IB/PVV, de daarbij opgelegde vergrijpboetes en in rekening gebrachte belastingrente.
Voorts de uitspraak van verweerder van 19 februari 2020 op de bezwaren van eiser tegen de voor het jaar 2015 opgelegde navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw), de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2021.
Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Namens verweerder is [A] verschenen.

Beslissing

De rechtbank verklaart:
  • de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar van 3 maart 2020 ongegrond;
  • de beroepen tegen de uitspraak op bezwaar van 19 februari 2020 niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. Eiser fungeert als tussenpersoon voor houthandelaren in Suriname die zaken doen met afnemers in Azië (de bemiddelingswerkzaamheden). In de onderhavige jaren woonde eiser in Nederland.
2. De vergoedingen voor de bemiddelingswerkzaamheden worden in Suriname contant betaald aan vrienden en/of familie van eiser. De vrienden en/of familie van eiser nemen de vergoedingen vervolgens mee naar Nederland, waarna eiser deze vergoedingen stort op zijn bankrekening.
3. Met betrekking tot de bemiddelingswerkzaamheden houdt eiser geen administratie bij. Er zijn dan ook geen overeenkomsten, facturen of kwitanties.
4. Voor de bemiddelingswerkzaamheden heeft eiser in zijn aangifte IB/PVV over 2015 € 15.000 aangegeven als (netto) resultaat uit overige werkzaamheden en in zijn aangifte IB/PVV over 2016 € 15.400.
5. Eiser heeft in 2015 in totaal € 37.160 contant op zijn bankrekening gestort en in 2016 in totaal € 34.670.
6. Na diverse correspondentie over de stortingen heeft verweerder de onderhavige navorderingsaanslagen en aanslagen opgelegd. Verweerder heeft hierbij het (netto) resultaat uit overige werkzaamheden voor 2015 gecorrigeerd naar € 37.805 en voor 2016 naar
€ 33.070, vergrijpboetes opgelegd en belastingrente in rekening gebracht.
7. Bij de uitspraken op bezwaar heeft verweerder de aanslagen en navorderingsaanslagen gehandhaafd en de boetebeschikkingen laten vervallen.
8. In geschil is of de navorderingsaanslagen (2015) en de aanslagen (2016) naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Voorts is in geschil of het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel zijn geschonden.
9. Met betrekking tot de navorderingsaanslag Zvw (2015) en aanslag Zvw (2016) overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft op 10 april 2020 de beroepschriften met dagtekening 9 april 2020 ontvangen. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn is geëindigd op 1 april 2020. Gelet op artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb, zijn de beroepschriften tegen de navorderingsaanslag Zvw en aanslag Zvw dan ook niet tijdig ingediend. Feiten en omstandigheden die de te late indiening verschoonbaar maken, zijn niet gesteld of gebleken. De beroepen tegen de uitspraak op bezwaar van
19 februari 2020 zijn daarom niet-ontvankelijk verklaard.
10. Met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV (2015) en aanslag IB/PVV (2016), heeft verweerder naar oordeel van de rechtbank terecht het resultaat uit overige werkzaamheden gecorrigeerd. Eiser heeft aanvankelijk verklaard dat de contante stortingen op zijn bankrekening zijn inkomsten uit de bemiddelingswerkzaamheden betroffen. Naar aanleiding van nadere vragen van verweerder heeft eiser vervolgens verklaard dat de contante stortingen leningen van zijn familie en vrienden betroffen. Eiser heeft dit standpunt niet onderbouwd met stukken of op een andere wijze aannemelijk gemaakt. De door eiser overgelegde leningsovereenkomst van 20 januari 2018 is niet te herleiden naar de onderhavige jaren, noch naar de door eiser genoemde familie en vrienden. De (wisselende) verklaringen van eiser over de leningen bieden de rechtbank geen enkel aanknopingspunt voor een ander oordeel.
11. De rechtbank kan de stelling van eiser dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel niet volgen, omdat eiser niet onderbouwd heeft dat en op welke wijze verweerder in strijd met deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Voorts volgt uit de gedingstukken dat verweerder uitvoering met eiser gecorrespondeerd heeft en eiser meermaals in de gelegenheid heeft gesteld toelichting te geven of stukken te overleggen. Verweerder heeft hiermee voldaan aan zijn plicht de benodigde kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
12. Van schending van het motiveringsbeginsel is evenmin sprake. Uit de brieven van 30 mei 2018 en 14 juni 2018, welke door verweerder aan eiser zijn verzonden voorafgaand aan het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV en aanslag IB/PVV, blijkt voldoende duidelijk dat en waarom verweerder van de ingediende aangiftes zou afwijken. De gronden waarop de bezwaren van eiser zijn afgewezen, blijken eveneens voldoende duidelijk uit de brieven van verweerder van 6 januari 2019 en 19 februari 2019. Naar oordeel van de rechtbank zijn zowel de aanslag IB/PVV, navorderingsaanslag IB/PVV als de uitspraken op bezwaar van 3 maart 2020 dan ook naar behoren voorbereid en gemotiveerd.
13. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft eiser geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de belastingrente naar een onjuist bedrag of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar van 3 maart 2020 ongegrond verklaard.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
18 februari 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.