Eisers hebben in 2018 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft in april 2020 de aanvraag ingewilligd en tegelijkertijd de hoogte van een bestuurlijke en een rechterlijke dwangsom vastgesteld. Eisers stelden beroep in tegen de hoogte van deze dwangsommen. De rechtbank oordeelt dat de bestuursrechter onbevoegd is om over de rechterlijke dwangsom te oordelen, omdat deze niet op publiekrecht berust en behandeld moet worden door de burgerlijke rechter.
Voor de bestuurlijke dwangsom stelt de rechtbank vast dat de hoogte daarvan reeds in eerdere uitspraken van februari 2020 onherroepelijk is vastgesteld. Verweerder had deze uitspraken na te komen en mocht niet in afwijking daarvan opnieuw de hoogte vaststellen. Omdat verweerder dit wel deed, vernietigt de rechtbank het besluit voor zover het de bestuurlijke dwangsom betreft.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten aan eisers. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.