ECLI:NL:RBDHA:2021:2977

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2021
Publicatiedatum
29 maart 2021
Zaaknummer
20.16633
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55d AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechter onbevoegd bij beroep tegen vaststelling hoogte rechterlijke dwangsom

Eiser vroeg op 1 mei 2019 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan. Na uitblijven van een beslissing stelde eiser een ingebrekestelling en vervolgens beroep in. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en legde een dwangsom op voor het niet tijdig beslissen.

Verweerder stelde in het bestreden besluit dat er geen dwangsom was verbeurd in de periode van 16 maart tot 19 juli 2020 vanwege overmacht door coronamaatregelen. Eiser betwistte dit en stelde dat vanaf 17 april 2020 telehoren plaatsvonden, waardoor geen sprake meer was van overmacht.

De rechtbank oordeelde dat de vaststelling van de hoogte van de dwangsom geen publiekrechtelijke rechtshandeling is en daarom geen besluit in de zin van de Awb. Hierdoor is de bestuursrechter onbevoegd om van het beroep kennis te nemen en moet eiser zich tot de burgerlijke rechter wenden.

Een verzoek tot aanhouding van het beroep in afwachting van een andere uitspraak werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de vaststelling van de hoogte van de rechterlijke dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.16633
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. D. Reimerink).

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure ingewilligd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een beeld- en geluidsverbinding (Skype) op 2 december 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser heeft op 1 mei 2019 een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft op 11 november 2019 een ingebrekestelling ingediend vanwege het uitblijven van een beslissing van verweerder. Eiser heeft vervolgens op
1 december 2019 een beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Op 9 maart 2020 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen acht weken een besluit moet nemen op de aanvraag eiser. Als verweerder dit niet doet dan verbeurt hij een dwangsom van € 100,- voor elke dag dat hij te laat is, met een maximum van € 15.000,-.
2. Het beroep gaat over de verbeurde rechterlijke dwangsom door verweerder. In het bestreden besluit heeft verweerder bepaald dat er tussen de periode van 16 maart 2020 tot 19 juli 2020 geen dwangsom is verbeurd. Verweerder stelt dat er in die periode sprake was van een overmachtssituatie, door de maatregelen die het kabinet heeft genomen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. Omdat er binnen acht weken na 19 juli 2020
op de asielaanvraag is beslist, is er volgens verweerder geen dwangsom verbeurd. Eiser is het daar niet mee eens en stelt dat vanaf 17 april 2020 verweerder begonnen is met telehoren, zodat vanaf dat moment geen sprake meer is van overmacht om te beslissen op de asielaanvraag.
3. Uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de geschiedenis van de totstandkoming 1 ervan volgt dat een dergelijke dwangsom ten uitvoer kan worden gelegd volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor zover verweerder in het bestreden besluit over (de hoogte van) de verschuldigde rechterlijke dwangsom heeft geoordeeld, bevat dit besluit daarom geen publiekrechtelijke rechtshandeling. De bevoegdheid tot het nemen van deze beslissing is immers niet aan het publiekrecht ontleend. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de ABRvS 2. In zoverre is het bestreden besluit dan ook geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Ingevolge artikel 8:1 van Pro de Awb kan alleen tegen een besluit beroep worden ingesteld. Dat betekent dat eiser niet bij de bestuursrechter kan procederen over de hoogte van de verbeurde dwangsom en zich daarvoor tot de burgerlijke rechter zal moeten wenden. De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. Dit betekent dat voor het aanhouden van het beroep totdat het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft beslist op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 29 oktober 2020 3, zoals eiser heeft verzocht, geen aanleiding bestaat.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd van het geschil kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier.
1. Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 51
2 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
13 januari 2021
Mr. G.P. Loman M. Bos
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.