ECLI:NL:RBDHA:2021:316
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring opvolgende asielaanvraag en oplegging inreisverbod afgewezen
Eiser, een Afghaanse asielzoeker, diende op 5 augustus 2020 een opvolgende asielaanvraag in nadat eerdere aanvragen waren afgewezen of buiten behandeling gesteld. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat er geen nieuwe elementen of bevindingen waren die relevant waren voor de beoordeling.
Eiser stelde dat verweerder onterecht de nieuwe documenten niet op hun merites had beoordeeld en onvoldoende had gemotiveerd waarom deze geen nieuwe elementen vormden. De rechtbank oordeelde dat verweerder de documenten wel degelijk had beoordeeld, inclusief de aard, wijze van verkrijging en inhoud, en dat verweerder de authenticiteit van de documenten terecht betwijfelde. Tevens werd geoordeeld dat verweerder de culturele verschillen en de inhoud van de medische verklaring en het krantenartikel voldoende had betrokken in de besluitvorming.
Verder voerde eiser aan dat hij had moeten worden gehoord, maar de rechtbank stelde vast dat verweerder terecht van het horen had afgezien omdat de benodigde kennis voor het besluit aanwezig was. Ook het beroep tegen de vertrektermijn en het inreisverbod werd afgewezen omdat eiser geen humanitaire gronden had aangevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de opvolgende asielaanvraag en het opleggen van een inreisverbod is ongegrond verklaard.