ECLI:NL:RBDHA:2021:3310

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 april 2021
Publicatiedatum
6 april 2021
Zaaknummer
NL21.516
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na beslissing op beroep verblijfsvergunning asiel

Verzoeker heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is hem een inreisverbod van twee jaar opgelegd en is hij opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten.

Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld en een nieuw asielmotief aangevoerd. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening aangehouden om het nieuwe asielmotief te laten beoordelen. Vervolgens heeft de staatssecretaris een aanvullend besluit genomen waarop het beroep mede is gericht.

De zitting vond plaats via beeldverbinding waarbij verzoeker en zijn gemachtigde aanwezig waren, terwijl de verweerder niet verscheen. De rechtbank heeft op het beroep uitspraak gedaan in een gerelateerde procedure (NL21.515). Omdat op het beroep is beslist, is niet langer voldaan aan het connexiteitsvereiste voor voorlopige voorzieningen, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.516

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Spapens),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2021 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond, verzoeker opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en daarbij een nieuw asielmotief aangevoerd. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op verzoek van partijen aangehouden zodat verweerder het nieuwe asielmotief beoordeelt.
Op 9 februari 2021 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen.
Het beroep is op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen het besluit van 9 februari 2021.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.515, plaatsgevonden door middel van een beeldverbinding (telehoren) op 22 maart 2021. Verzoeker is verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen
I. Soltani. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, in de procedure met zaaknummer NL21.515, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep.
2. Nu op het beroep van verzoeker is beslist, wordt niet langer voldaan aan het in artikel 8:81 van Pro de Awb neergelegde connexiteitsvereiste. Om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. I.N. Powell, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.