Het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk verleende een omgevingsvergunning voor de bouw van drie woningen aan de [kade] te Bodegraven. Eiser I en eisers II stelden beroep in tegen dit besluit, waarbij onder meer werd betoogd dat het raadsbesluit onrechtmatig was en dat de ruimtelijke onderbouwing ontbrak. Ook werd gevreesd voor verslechtering van de parkeersituatie.
De rechtbank oordeelde dat het beroep van een deel van eisers II niet-ontvankelijk was wegens het niet indienen van zienswijzen. De overige eisers waren ontvankelijk. De rechtbank constateerde een formeel gebrek in de besluitvorming omtrent de verklaring van geen bedenkingen, maar passeerde dit gebrek omdat eiser I voldoende gelegenheid had gehad om zienswijzen kenbaar te maken.
Inhoudelijk was het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan, maar verweerder had beleidsruimte om hiervan af te wijken mits een goede ruimtelijke onderbouwing aanwezig was. De rechtbank vond dat geen sprake was van een stedelijke ontwikkeling en dat de parkeerbehoefte adequaat was beoordeeld. De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het bouwplan geen onevenredige aantasting van woon- en leefklimaat oplevert.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De vergunninghouder mocht redelijkerwijs afwijken van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning bleef van kracht.