Eiser, van Iraanse nationaliteit, vroeg asiel aan op grond van zijn bekering tot het christendom en een christelijke tatoeage, alsmede zijn homoseksualiteit. Verweerder wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van de bekering en onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar.
De rechtbank bevestigt dat de bekering niet geloofwaardig is en dat eiser zijn tatoeage op de onderarm eenvoudig kan bedekken bij terugkeer, waardoor geen reëel risico op vervolging bestaat. Ook het beroep tegen het dwangsombesluit wegens niet tijdig beslissen wordt ongegrond verklaard.
Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk geworden omdat inmiddels een besluit is genomen. De rechtbank volgt de eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak over tatoeages en geloofwaardigheid.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn tatoeage of seksuele geaardheid een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Iran. Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.