ECLI:NL:RBDHA:2021:3689
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod wegens ernstige strafbare feiten en openbare orde
Eiser, met Djiboutiaanse nationaliteit, kreeg in 1993 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en sinds 2005 een vergunning voor onbepaalde tijd. Verweerder trok deze vergunning in met terugwerkende kracht tot 15 december 2018 vanwege meerdere ernstige strafbare feiten en legde een inreisverbod van tien jaar op. Eiser werd twintig keer veroordeeld voor misdrijven die de norm van de glijdende schaal in het Vreemdelingenbesluit 2000 overschrijden.
Eiser voerde aan dat de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing was en dat het criterium van een actuele en ernstige bedreiging niet juist werd toegepast, maar de rechtbank oordeelde dat de richtlijn niet van toepassing is op de intrekking van zijn verblijfsvergunning. De rechtbank bevestigde dat de glijdende schaal correct werd toegepast, ook op veroordelingen van vóór 2012.
De rechtbank weegt het belang van eiser bij zijn privéleven in Nederland af tegen het algemeen belang van de samenleving, waarbij het feit dat eiser meerdere ernstige geweldsmisdrijven pleegde en geen bestendige gedragsverbetering toonde zwaar weegt. Medische omstandigheden en het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer werden beoordeeld en niet aannemelijk geacht. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.