ECLI:NL:RVS:2020:2068
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vereisten intrekking verblijfstitel gezinslid om redenen van openbare orde
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en de weigering van verlenging daarvan door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De intrekking en weigering waren gebaseerd op een veroordeling in Zwitserland voor meervoudige betrokkenheid bij smokkel van harddrugs.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak geschorst in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat in het arrest G.S. duidelijkheid gaf over de uitleg van artikel 6, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Volgens het arrest is het niet vereist dat wordt vastgesteld dat de persoonlijke gedragingen van de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging vormen, maar moet wel een voldoende zware straf zijn opgelegd en een individuele belangenafweging plaatsvinden.
De staatssecretaris had de intrekking en weigering gebaseerd op de 'glijdende schaal' waarbij de zwaarte van de straf wordt afgezet tegen de duur van het verblijf, en had een individuele beoordeling gemaakt waarbij onder meer de aard en hechtheid van de gezinsband en de duur van het verblijf werden meegewogen.
De Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris heeft voldaan aan de vereisten van het arrest G.S. en de Gezinsherenigingsrichtlijn, en bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de intrekking en weigering terecht zijn. Het hoger beroep is gegrond verklaard voor zover het de weigering van verlenging betreft, maar dit beroep wordt alsnog ongegrond verklaard. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De intrekking en weigering van verlenging van de verblijfsvergunning zijn terecht, het beroep wordt ongegrond verklaard.