ECLI:NL:RBDHA:2021:3790
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen dwangsombesluit wegens prematuur ingediende ingebrekestelling in asielprocedure
Eiser heeft een ingebrekestelling ingediend op 2 juli 2020 in het kader van zijn asielaanvraag, die op 17 december 2020 werd ingewilligd. Verweerder heeft het dwangsombesluit van 22 februari 2021 genomen waarin de ingebrekestelling als prematuur en ongeldig werd beschouwd. Eiser stelde dat het dwangsombesluit in strijd was met de beginselen van behoorlijk bestuur omdat hij mocht vertrouwen op de geldigheid van de ingebrekestelling en hem de kans ontnomen werd een nieuwe in te dienen.
De rechtbank overweegt dat de beslistermijn voor de asielaanvraag door overmacht was opgeschort van 16 maart tot 16 mei 2020 en vervolgens met zes maanden verlengd, waardoor de beslistermijn pas op 29 november 2020 eindigde. De ingebrekestelling van 2 juli 2020 was daardoor te vroeg en ongeldig. Dit is bevestigd in eerdere uitspraken.
De stelling van eiser dat het dwangsombesluit strijdig is met beginselen van behoorlijk bestuur wordt verworpen, mede omdat eiser vrij staat om op elk moment een ingebrekestelling in te dienen. Bovendien zou een latere ingebrekestelling onder de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND vallen, waardoor geen dwangsommen zouden worden toegekend.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het dwangsombesluit wordt ongegrond verklaard omdat de ingebrekestelling te vroeg was ingediend.