ECLI:NL:RVS:2020:3020
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.J. Borman
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid verlenging beslistermijn verblijfsvergunning asiel wegens COVID-19-pandemie
De vreemdeling had beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en oordeelde dat de verlenging van de beslistermijn door de staatssecretaris rechtmatig was.
De staatssecretaris had de beslistermijn van zes maanden met zes maanden verlengd op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, een letterlijke implementatie van artikel 31, derde lid, aanhef en onder b, van de EU-procedurerichtlijn. Deze verlenging werd ingegeven door capaciteitsproblemen veroorzaakt door de coronapandemie.
De vreemdeling betoogde dat de richtlijn geen ruimte biedt voor verlenging wegens een noodtoestand zoals een pandemie en dat de verlenging in strijd is met het legaliteitsbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de richtlijn niet uitsluit dat lidstaten rekening houden met pandemiegerelateerde omstandigheden. De Europese Commissie heeft dit ook bevestigd in richtsnoeren.
De Afdeling stelde vast dat de verlenging noodzakelijk was om een zorgvuldige beoordeling van asielaanvragen te waarborgen, mede omdat de verplichte hoorzittingen door coronamaatregelen beperkt konden plaatsvinden. De verlenging overschrijdt niet de maximale termijn van 21 maanden en ondermijnt de harmonisatie van het Europese asielstelsel niet.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn voor asielaanvragen met zes maanden vanwege de COVID-19-pandemie.