Verzoekers, eigenaren en bewoners van naburige panden, maakten bezwaar tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam had verleend aan vergunninghoudster voor het bouwen van een extra verdieping op twee woningen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening nadat de zaak was verwezen vanuit Rotterdam.
De vergunning betrof een dakopbouw met een hoogte van circa 3 meter en een dakhelling van 75 graden, gelegen in een historisch waardevol gebied. Verzoekers voerden onder meer aan dat het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand, dat er bezwaren zijn tegen de constructieve gegevens en dat het plan in strijd is met het bestemmingsplan en privaatrechtelijke bepalingen. Verweerder en vergunninghoudster stelden dat het plan goed is ingepast, voldoet aan de kruimelgevallenregeling en dat de bezwaren onvoldoende onderbouwd zijn.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan wat betreft de dakhelling, maar dat verweerder bevoegd was om op grond van de kruimelgevallenregeling af te wijken. De belangenafweging door verweerder was redelijk en het welstandsadvies was gemotiveerd en betrouwbaar. De privaatrechtelijke bezwaren waren niet evident en onvoldoende voor het intrekken van de vergunning. Ook de constructieve bezwaren konden niet worden gevolgd.
Gelet op deze overwegingen wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 19 april 2021 door voorzieningenrechter D.R. van der Meer.