ECLI:NL:RBDHA:2021:4050
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling proceskosten wegens niet tijdig beslissen op vreemdelingenaanvraag
Eiser heeft op 22 oktober 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn aanvraag van 30 november 2018. De rechtbank verklaarde dit beroep gegrond en beval verweerder uiterlijk 13 februari 2020 een beslissing te nemen. Nadat verweerder hieraan geen gevolg gaf, stelde eiser op 25 februari 2021 een tweede beroep in. Verweerder besloot alsnog op 9 april 2021 op de aanvraag. Eiser trok daarop het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aan eiser was tegemoetgekomen zoals bedoeld in artikel 8:75a Awb en dat het verzoek tot proceskostenvergoeding kennelijk gegrond was. De proceskosten werden vastgesteld op €267,- op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, rekening houdend met de lichte aard van de zaak.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van deze kosten. De uitspraak werd gedaan door rechter A.E. Dutrieux en griffier D.M. Biermann, en is openbaar bekendgemaakt op 21 april 2021. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van €267,- wegens niet tijdig beslissen.