De Staat der Nederlanden organiseerde een Europese openbare aanbestedingsprocedure voor Hosting en Infrastructuur Componenten 2.0. SLTN, Computacenter en PQR dienden tijdig inschrijvingen in. SLTN werd uitgesloten omdat zij in haar inschrijving de term 'SLTN-SDD' gebruikte, wat volgens de Staat een verwijzing naar haar bedrijfsnaam is en daarmee het knock-out criterium schond dat inschrijvingen anoniem moeten zijn. SLTN voerde aan dat deze term een standaardterm is, maar kon dit onvoldoende onderbouwen.
SLTN vorderde in kort geding dat de aanbestedingsprocedure werd gestaakt en heraanbesteding plaatsvond, stellende dat de Staat willekeurig handelde, het level playing field werd geschonden en er ernstige procedurele gebreken waren. De rechtbank oordeelde dat de uitsluiting van SLTN terecht was en dat de Staat niet verplicht was tot nader verificatieonderzoek. Ook was er geen sprake van willekeur of schending van het gelijkheidsbeginsel, aangezien de eis tot anonimiteit niet de metadata van digitale documenten betrof.
Verder was de stelling van SLTN dat PQR een ongeoorloofde kennisvoorsprong had en onrealistische prijzen bood onvoldoende onderbouwd. De rechtbank vond dat de herbeoordeling door een nieuw beoordelingsteam onder een nieuwe procesbegeleider de procedurele gebreken voldoende had hersteld. De vorderingen van SLTN werden afgewezen en zij werden veroordeeld in de proceskosten.