ECLI:NL:RBDHA:2021:4348
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen spoedsluiting woning wegens drugshandel
Verzoeker, huurder van een woning in Gouda, verzocht om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester tot spoedsluiting van zijn woning voor zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Dit besluit volgde op een politieonderzoek waarbij ruim 1500 gram harddrugs, een vuurwapen, geld en indicaties van drugshandel in de woning werden aangetroffen.
Verzoeker stelde dat hij niet verantwoordelijk was voor de drugshandel en dat hij tijdens de constatering in het buitenland verbleef. Hij voerde aan dat de sluiting onevenredig was, dat hij geen verwijt treft en dat de maatregel een onaanvaardbare inbreuk maakt op zijn familieleven. Verweerder stelde dat de sluiting noodzakelijk was ter bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat, en dat verwijtbaarheid niet vereist is voor toepassing van artikel 13b.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs, een vuurwapen en geld een ernstige situatie vormt die sluiting rechtvaardigt. Verzoeker kon worden verweten dat hij de woning niet goed beheerste, mede omdat hij een persoon met antecedenten toegang had gegeven. De maatregel is niet punitief, maar een bestuurlijke maatregel ter bescherming van de openbare orde. De inbreuk op het familieleven is gerechtvaardigd en proportioneel.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en blijft het besluit tot spoedsluiting van kracht. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de spoedsluiting van de woning wordt afgewezen.