ECLI:NL:RBDHA:2021:4824

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2021
Publicatiedatum
10 mei 2021
Zaaknummer
SGR 20/6377
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken aanvraag voor besluitvorming over uitkering

Eiseres ontvangt sinds 2002 een arbeidsongeschiktheidsuitkering en stelde in januari 2020 vragen over haar uitkering aan het UWV. Na uitblijven van een antwoord stuurde zij in april 2020 een herinnering en vervolgens in september 2020 een brief aan de rechtbank met een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank kwalificeerde het beroep als gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het UWV stelde dat er geen sprake was van een aanvraag waarop een besluit genomen moest worden. De rechtbank oordeelde dat het stellen van vragen niet gelijkstaat aan het indienen van een aanvraag en dat daardoor niet voldaan is aan de eerste voorwaarde van artikel 6:12 lid 2 Awb Pro.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter M. Munsterman en griffier M. Klaus op 9 april 2021.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat geen aanvraag is ingediend waarop tijdig een besluit moet worden genomen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/6377

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. A. Arabkhani).

Procesverloop

Eiseres heeft bij brief van 20 september 2020, ontvangen door de rechtbank op 30 september 2020, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1
Eiseres ontvangt sinds 15 januari 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling is de uitkering bij besluit van 17 juli 2007 ongewijzigd voortgezet.
1.2
Eiseres heeft verweerder in een brief van 5 januari 2020 een aantal vragen gesteld over haar uitkering. Omdat een antwoord op die vragen uitbleef heeft zij op 26 april 2020 een brief gestuurd waarin zij nogmaals aandacht heeft gevraagd voor die vragen. Vervolgens heeft zij op 30 september 2020 een brief naar de rechtbank gestuurd waarin zij beroep instelt tegen het uitblijven van een antwoord op de door haar gestelde vragen.
2. De rechtbank heeft dit beroep opgevat als een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit, omdat eiseres geen aanvraag heeft ingediend om een besluit te nemen.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
4.1
Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het beroepschrift, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
4.2
De rechtbank stelt vast dat eiseres in haar brief van 5 januari 2020 een aantal vragen heeft gesteld over haar uitkering. En hoewel het begrijpelijk is dat eiseres een antwoord verwacht op de gestelde vragen is het uitblijven van een antwoord op die vragen niet gelijk te stellen met het in gebreke blijven om een besluit te nemen. Zoals verweerder terecht stelt is er geen sprake van een aanvraag waarop tijdig moet worden beslist. Dat betekent dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid en onder a, van de Awb.
5. Het beroep is niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.