ECLI:NL:RBDHA:2021:5253
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens verbroken feitelijke gezinsband
Eiser, een minderjarige zoon van een verblijfsvergunninghouder, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan in het kader van nareis. De aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen omdat de feitelijke gezinsband met de referent, zijn vader, volgens het bestreden besluit was verbroken.
De rechtbank overwoog dat eiser nooit met zijn vader heeft samengewoond en dat er gedurende vrijwel zijn gehele minderjarige leven geen contact of financiële ondersteuning van de vader was. De vader had ook geen betrokkenheid bij de opvoeding van eiser aangetoond.
Eiser stelde dat hij afhankelijk was van zijn vader en dat het weigeren van verblijf in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, maar de rechtbank oordeelde dat de feitelijke gezinsband op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland was verbroken. Daarom kwam eiser niet in aanmerking voor de mvv.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens verbroken feitelijke gezinsband.