ECLI:NL:RBDHA:2021:5266
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op afgeleid verblijfsrecht op grond van onvoldoende bewijs daadwerkelijk verblijf in België
Eiseres, een Russische nationaliteit houdende vrouw, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin haar aanvraag voor een verblijfsdocument werd afgewezen. Zij stelt dat zij daadwerkelijk met haar Nederlandse echtgenoot, referent, ten minste drie maanden in België heeft gewoond en daarmee een afgeleid verblijfsrecht heeft opgebouwd op grond van artikel 21, eerste lid, van het VWEU.
De staatssecretaris heeft het beroep afgewezen omdat eiseres onvoldoende bewijs heeft geleverd van het daadwerkelijke verblijf in België. De rechtbank overweegt dat het verblijf aaneengesloten drie maanden moet zijn en moet worden aangetoond met bewijs van administratieve en feitelijke aard. Eiseres heeft slechts een aankomstverklaring, enkele foto’s en verklaringen van familieleden overgelegd, die onvoldoende objectief bewijs vormen.
Hoewel eiseres plausibele verklaringen gaf voor het ontbreken van huurcontracten en bankafschrijvingen, acht de rechtbank dit onvoldoende om het vereiste bewijs te vervangen. De rechtbank wijst erop dat het verzamelen van bewijs bij de Belgische autoriteiten op de weg van eiseres ligt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijk verblijf in België.