Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
wonende te [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. J.P.L.C. Dijkgraaf,
gedaagde partij,
Rechtbank Den Haag
De eiser, een ambtenaar die sinds 1 september 1983 voor De Staat werkte, verzocht om door te mogen werken tot zijn 70ste levensjaar op grond van het oude Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Na de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (WNRA) per 1 januari 2020, veranderde zijn rechtspositie in een civielrechtelijke arbeidsovereenkomst. De Staat wees het verzoek af en de arbeidsovereenkomst eindigde op 22 december 2020.
De eiser stelde primair dat hij op grond van artikel 98 ARAR Pro mocht doorwerken tot zijn 70ste, subsidiair dat hij een tijdelijke arbeidsovereenkomst moest krijgen, en meer subsidiair dat De Staat schadevergoeding moest betalen wegens schending van goed werkgeverschap. Tijdens de mondelinge behandeling trok hij de subsidiaire vordering in.
De kantonrechter stelde een voorvraag over zijn bevoegdheid vast, gelet op het overgangsrecht van de Ambtenarenwet 2017 en de Awb. Omdat het bezwaar van de eiser tegen het niet tijdig informeren en beslissen over zijn verzoek vóór 1 januari 2020 was ingediend, en de WNRA de rechtspositie wijzigde, is het bestuursrecht van toepassing. De kantonrechter besloot zich onbevoegd te verklaren en zond de zaak door naar de sector bestuursrecht van de rechtbank Den Haag.
Uitkomst: Kantonrechter verklaart zich onbevoegd en zendt zaak door naar sector bestuursrecht.