Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2021 in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres] , te [woonplaats] , eisers,
[derde-partij 1] en [derde-partij 2], te [woonplaats] , vergunninghouders.
Rechtbank Den Haag
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg om vergunninghouders een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een dakopbouw op een woning. Eisers voerden aan dat de dakopbouw hun woon- en leefklimaat aantast en dat er sprake is van schending van redelijke eisen van welstand. Tevens beriepen zij zich op gerechtvaardigd vertrouwen dat geen wijzigingen aan woningen in de wijk mochten plaatsvinden.
De rechtbank stelt vast dat de dakopbouw leidt tot een verandering van het uitzicht van eisers, maar dat dit geen recht op vrij uitzicht geeft en geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat oplevert. De afstand tussen de woningen is ruim dertig meter, waardoor schaduwwerking en lichtvermindering niet onevenredig zijn. De welstandscommissie heeft het bouwplan positief beoordeeld en de rechtbank vindt geen aanleiding om het advies te negeren.
Het beroep op gerechtvaardigd vertrouwen faalt omdat de gronduitgifte-overeenkomst en akte van levering alleen beperkingen stellen aan wijzigingen die het architectonisch uiterlijk veranderen, wat hier niet het geval is. Ook de vermeende eenmalige uitzondering voor een andere dakopbouw is onvoldoende om het besluit aan te tasten. Kleine wijzigingen zoals verplaatste ventilatie-uitlaten zijn van ondergeschikte aard.
De rechtbank concludeert dat het college in redelijkheid tot vergunningverlening heeft kunnen besluiten en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de dakopbouw wordt ongegrond verklaard.