Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een mvv met als doel verblijf bij een familielid, welke door verweerder is afgewezen wegens onvoldoende middelen van bestaan en niet voldoen aan de inburgeringsplicht. Verweerder stelde dat eiser en de referent niet aan de vereisten voldeden, mede omdat eiser geen bewijs leverde van afgerond lager onderwijs in de Nederlandse taal in Suriname.
Eiser voerde aan dat hij vrijgesteld is van het inburgeringsexamen omdat hij in Suriname lager onderwijs in het Nederlands heeft gevolgd. De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar deze vrijstelling, ondanks dat de door eiser overgelegde documenten een sterke indicatie gaven dat hij aan de eis voldeed. Ook bleek eiser het Nederlands goed te beheersen.
Daarnaast voerde eiser aan dat de referent blijvend niet in staat is tot arbeidsinschakeling, waardoor het middelenvereiste niet tegen hen mag worden gebruikt. Verweerder had ook dit onvoldoende onderzocht. De rechtbank oordeelde dat verweerder had moeten onderzoeken of er aanleiding was om van de discretionaire bevoegdheid gebruik te maken om de aanvraag toch toe te staan.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.