ECLI:NL:RVS:2022:544
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak over afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 18 oktober 2019 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 17 maart 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling op 10 juni 2021 gegrond en vernietigde het besluit vanwege een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, waarna de staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, maar de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is omdat het motiveringsgebrek eenvoudig te herstellen is en het hogerberoepschrift geen relevante rechtsvragen bevat. Vervolgens trok de staatssecretaris het nieuwe besluit van 28 oktober 2021 in en erkende de onrechtmatigheid daarvan.
Omdat de vreemdeling geen belang meer had bij inhoudelijke beoordeling van het ingetrokken besluit, werd het beroep daarop niet-ontvankelijk verklaard. De Raad van State veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling en legde een griffierecht op. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 22 februari 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is ongegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling tegen het ingetrokken besluit niet-ontvankelijk.